RoSa-documentatiecentrum Beeldvorming van Arbeid

Beeldvorming


Beeldvorming van arbeid in de media

Wat wij in het ESF-project Beeldvorming van Arbeid doen, is bestuderen wat het beeld is van arbeid dat op televisie wordt neergezet.

Arbeid omschrijven we in dit onderzoek als volgt:

  • werken voor de kost
  • door middel van inspanningen de wereld veranderen, zodat behoeften beter bevredigd kunnen worden.

Het is een stroeve definitie, maar tenslotte moeten we duidelijk afbakenen wat we onderzoeken, ondanks het feit dat iedereen weet wat werken is.

We weten uit sociaal wetenschappelijk onderzoek dat de volgende factoren belangrijk zijn in wat werken betekent:

  1. inkomen
  2. sociale contacten
  3. infrastructuur
  4. zekerheid
  5. combinatie met privé-leven
  6. resultaat, geleverde diensten en gemaakte producten
  7. status
  8. tempo / tijd
  9. zelfstandigheid / zelf sturen 
  10. het plezier of de pijn die de arbeid met zich brengt

Naast het belang dat werk heeft voor individuele werkers is er ook het maatschappelijk belang van de verrichte arbeid. De concurrentiepositie van bedrijven hangt voor een deel af van de goede prestaties van de werknemers, de concurrentiepositie van een land hangt af van de mate waarin dat land het voor bedrijven aantrekkelijk kan maken of houden om in dat land gevestigd te zijn. De hoge sociale lasten zijn daarin steeds belangrijker. De slagkracht van de economie hangt ook af van de innovatie en van de mate waarin bedrijven en instellingen erin slagen te innoveren.

De beeldvorming die de media van werken naar voren brengen wordt bepaald door de mate waarin al deze factoren belicht worden en door wie dit gebeurt.

We weten dat de verschillende sociale spelers in het steeds voortgaande gesprek over arbeid hun eigen rol hebben.

  • De vakbonden zeggen dat werken bijzonder belastend is, dat arbeiders meer betaald moeten worden, dat werknemers - als zij, de vakbonden, niet goed opletten - uitgebuit worden, dat de verworven rechten niet mogen aangetast worden.
  • De werkgevers zeggen dat de vakbonden niet echt ongelijk hebben, maar dat de marges klein zijn, dat al het mogelijke wordt gedaan, en dat iedereen een bijdrage moet leveren.
  • De regering bemiddelt: zij probeert te tonen dat zij veel doet voor de mensen, en maatregelen neemt die de economie ten goede komen, zonder zich al te veel te bemoeien.
  • De man in de straat zegt dat het altijd dezelfden zijn die aan het kortste eind trekken.

Dit gesprek loopt voortdurend in de media, soms virtueel en soms echt. Op bepaalde momenten zijn er specifieke kwesties en dan worden de meningen nadrukkelijker. Op dat ogenblik spelen de nadruk, de selectie, de keuzes van de mediamakers een beslissende rol in de beeldvorming over het gebeuren.

Knelpuntberoepen, discriminatie op de arbeidsmarkt, openstaande vacatures, werkloosheid in Brussel, generatiepact, demonstraties in Frankrijk tegen het jongerenbanenplan, veiligheid voor de chauffeurs en reizigers in het openbaar vervoer, het inkomen van managers, de werkloosheidsval, de loonkloof tussen mannen en vrouwen,...: de media vertellen ons wat we er kunnen van denken en op basis daarvan maken wij ons een beeld o.a. over wat werken is, wie hard werkt, wie wil werken, wie goed werkt, wie grootverdieners zijn, wat we zelf kunnen bereiken, wat we absoluut zouden willen doen, wat de risico's van een vak zijn, wie onze sympathie verdient en wie er de kantjes afloopt. De media geven ons dus niet enkel de concrete informatie (vandaag was er een betoging in Parijs, gisteren is er sociaal overleg gevoerd over de afdankingsplannen bij Agfa-Gevaert, ...) maar maken voor ons en in ons het beeld dat we hebben van mensen, groepen en centrale maatschappelijke processen.

over deze site | site map | contacteer ons | ©2006-2008 RoSa documentatiecentrum