“Als minister wilde ik ook andere beleidsdomeinen dan Gelijke Kansen. Zo moesten de anderen regelmatig ook iets aan mij vragen.” Voor jonge vrouwen die nu een politieke carrière hebben is er veel veranderd, in de positieve zin. Ze zijn nu met meer dan een derde in het parlement. Ze worden niet meer van onder tot boven bekeken wanneer ze ergens binnenkomen. Dat was bij mij wel het geval. Als ik een blauw mantelpakje aan had, dan kreeg ik gegarandeerd een flauwe opmerking, of ik bij de liberalen ging of zo. Toen ik pas in de politiek begon, was ik in de eerste plaats een vrouw voor mijn collega’s. Nu zijn de mannen het gewend geraakt dat er ook vrouwen in de politieke wereld zijn, en ze maken minder onderscheid tussen mannen en vrouwen. Dat zie je in de parlementen. De mentaliteitswijziging valt me niet alleen daar op, maar ook in de koffiekamers. Mannen en vrouwen zitten samen en vertellen over allerlei dingen die hen bezighouden. En het zijn niet alleen de vrouwen die over hun kinderen vertellen, de mannen doen dat evengoed. Dat er meer vrouwen in de politiek zijn is normaal. Ik heb altijd gezegd: ‘de geschiedenis is met ons’. Het kon niet anders dan beteren, dat was een normale evolutie.
Er is veel verbeterd, maar er zijn ook nog steeds problemen. De lonen zijn bijvoorbeeld nog steeds niet gelijkgetrokken. Ik vermoed ook dat die loonkloof nooit helemaal zal worden rechtgetrokken. Je kunt sekseneutrale functieclassificaties invoeren en dat is heel belangrijk, maar zelfs dan nog blijven vrouwen een andere loopbaan hebben dan mannen. Ze werken meer deeltijds, nemen loopbaanonderbrekingen en verlaten de arbeidsmarkt voor een korte of lange periode wanneer ze kinderen krijgen. En dat heeft een negatieve invloed op hun lonen. Bovendien is het ook een moeilijk onderwerp om aan te kaarten bij de vakbonden.
Alhoewel ik minister ben geworden en men dus de indruk zal hebben dat ik nooit problemen heb gehad met het glazen plafond, heb ik er wel degelijk gehad. Ik was graag partijvoorzitter geworden, maar dat was ‘not done’ in mijn partij voor een vrouw toen. En trouwens in geen enkele partij in die periode. Als ik een interview lees van een vrouw met een topfunctie die beweert dat er geen glazen plafond is, dan word ik kwaad. Het is verkeerd om zoiets te stellen. Sommigen botsen er, spijtig genoeg, wel degelijk tegen. Of vrouwen ook carrière willen maken, moeten ze zelf beslissen. Willen zij de top bereiken en lange dagen werken? Dat is dan weer een factor die ze zelf in de hand hebben.
Een ander probleem dat zich voordoet is gebonden aan leeftijd. Ik merk om me heen, dat mensen hun baan verliezen omdat ze een zekere leeftijd hebben. Of dat ze geen nieuw werk vinden. Dat geldt zowel voor mannen als voor vrouwen, maar ik denk dat vrouwen er toch net iets meer mee te maken krijgen.
En ten slotte zijn geweld en de positie van migrantenvrouwen twee serieuze problemen waaraan gewerkt moet worden. Geweld heb ik uitvoerig behandeld als Minister van Gelijke Kansen. Migrantenvrouwen, dat is een nieuwer onderwerp. Ze zijn ingekapseld in hun gemeenschap en geraken daar zeer moeilijk uit. Het zou voor hen, en ook voor de mannen gemakkelijker zijn als zij los konden komen uit die besloten gemeenschap en een betere positie verwerven. Daar zou werkelijk iedereen bij winnen. Maar hun problemen mogen niet uit de vrouwenproblemen in het algemeen worden gelicht. Onlangs was er een vergadering van de Raad van Europa rond het thema huishoudelijk geweld. Het enige geweld dat niet ter sprake kwam, was het huishoudelijke geweld in migrantenmiddens: eremoorden, opgesloten worden, gedwongen huwelijken, enzovoort. Hun problemen moeten nochtans ook onze problemen worden en mogen niet onder de titel migrantenproblemen worden opzijgezet.
Die problematiek van migrantenvrouwen is een vrij nieuw en zeer belangrijk beleidsdomein waaraan veel aandacht besteed moet worden. Toch moeten we er rekening mee houden dat er bij die beleidsmaatregelen nog steeds aandacht blijft voor vrouwen in het algemeen. Het huidige beleid gaat meer en meer werken rond diversiteit. En dat is goed, maar op hetzelfde moment moet je erop letten dat die andere categorieën de grote groep van vrouwen niet gaan verdringen. In tegenstelling tot de minderheden waarrond het diversiteitsbeleid werkt, zijn vrouwen een grote groep. Een meerderheid, en dat mag je niet vergeten. Een vrouw kan namelijk ook gehandicapt zijn, of migrant, of lesbisch.
Tijdens mijn periode als minister voor Gelijke Kansen in de federale regering heb ik onder andere het ouderschapsverlof ingevoerd. Ik had toen, en ook nu nog, voor ogen dat er meer mannen dat zouden opnemen. Daarom formuleerde ik het zo dat de vrouwen een stuk konden opnemen en de mannen een ander stuk, zonder dat het verlof overdraagbaar was. Er zijn wel wat mannen die het hebben opgenomen, maar als je de keuze aan de vrouwen had gelaten, dan zouden zij het dubbel hebben opgenomen.
Bovendien gaan er de laatste tijd stemmen op om de duur van het ouderschapsverlof nog verder uit te breiden. Maar men moet daar voorzichtig mee zijn, want dat gaat vaak ten koste van de carrière en het loon van de vrouwen. Dat zijn belangrijke en niet te onderschatten gevolgen. Ik weet dat de vraag van de ouders voor die verlenging groot is, maar er moet ook rekening worden gehouden met de kosten van het loon. De staat moet zulke maatregelen kunnen blijven dragen en vrouwen moeten beseffen dat wanneer ze alleen vallen, na een echtscheiding bijvoorbeeld, ze over voldoende loon moeten blijven beschikken. Het is altijd zoeken naar een evenwicht.
Ik volg de laatste tijd niet meer helemaal in detail wat er gebeurt rond de vrouwenemancipatie. Dat doe ik bewust, me terugtrekken. Ik vind dat de Vlaamse en Brusselse regeringen goed werk leveren op het gebied van vrouwen in adviesorganen. Ik heb in het verleden in de federale regering een Koninklijk Besluit gemaakt over de vertegenwoordiging van vrouwen in de adviesorganen: een derde moet uit vrouwen bestaan. De Vlaamse Overheid heeft dat KB bijvoorbeeld overgenomen.
Over dat specifieke Koninklijk Besluit heb ik nog een anekdote. Bij het samenstellen van de adviesraad van een orgaan waarin werkgevers en werknemers zetelen, namelijk de Nationale Arbeidsraad, had ik een brief geschreven naar de leden met de vraag om een man en een vrouw voor te stellen. Ik zou uit hun selectie kiezen. Een van de organisaties antwoordde op mijn vraag door twee kandidaten op te geven: de man die altijd al die functie had opgenomen én de poetsvrouw, want dat was een vrouw. Zo dacht de organisatie tegemoet te komen aan mijn vraag. Ik heb hen gezegd dat ze een serieus voorstel moesten doen, anders zou ik de poetsvrouw aanstellen.
Dat brengt me trouwens bij een onderwerp waarvan ik vind dat nog rond gewerkt hoort te worden. Beroepen zoals poetsvrouw, hoe benoem je die? Ik vind dat met een correcte benaming al veel kan worden gedaan aan het respect voor bepaalde beroepen. Dat is gebeurd met een heleboel vrouwelijke beroepen: bepaalde functies die vrouwen vroeger beoefenden zijn nu geprofessionaliseerd: bejaardenopvang, kinderverzorgster, enzovoort. Het enige dat onvoldoende is geprofessionaliseerd is huishoudelijke hulp. En daar kun je heel wat aan doen door de functies te benoemen, de mensen in kwestie bijvoorbeeld een opleiding te geven over het omgaan met chemische en onderhoudsproducten én door het loon aan te passen. Het is echt belangrijk dat deze mensen respect van de samenleving krijgen. Dat moet echt nog gebeuren.
Interview: Saskia Martens