RoSa-documentatiecentrum
Beeldvorming van Arbeid

Terug naar de galerij

“Ik ben zo trots op de vrouwen die vandaag aan de top staan. En dat zeg ik hen ook.”


Bezige bij

Werken is altijd heel belangrijk voor me geweest en ik heb het enorm graag gedaan. Daarom is het ook moeilijk voor me om niets te doen. Als ik even niets omhanden heb, dan begin ik te werken. Zo ben ik twee weken na mijn pensioen bij de BRT beginnen schrijven aan mijn memoires. Enkele maanden later was Goeden avond dames en heren klaar. Mijn man was toen ook al op pensioen. Elke dag zat ik om negen uur ’s morgens aan mijn computer te werken. Dan kookte mijn man voor ons en na de middag las ik voor wat ik al had. Dat waren fijne maanden. Mijn man is korte tijd later gestorven. Met dat boek heb ik dus de kloof overbrugd. Als ik niet meteen was beginnen schrijven, was ik zeker in een zwart gat terechtgekomen. Na de publicatie van Goeden avond kreeg ik veel acteer- en presentatieopdrachten, ook op de radio, en die nam ik graag aan. Het was een ware comeback. Ik acteerde in verschillende series waaronder bijvoorbeeld Commissaris Roos (VTM) en Thuis (VRT). Wat me uit die tijd is bijgebleven is het interview dat Kris Smet van me afnam in De draad van Ariadne en dan veel later mijn gesprek met Wim Opbrouck in Week van de liefde.

Tussen 1995 en 1999 ben ik senator geworden voor de SP. Het was een moeilijk moment omdat het in het volle Agusta-tijdperk was. Ik ben toen echt bang geweest, want ik had daar niets mee te maken. Maar ik ben uiteindelijk verkozen met veel voorkeurstemmen en mocht van de partijleiding zeggen wat ik dacht. Het was weer een toffe werktijd. Ik wekte veel vertrouwen bij de senioren en kreeg van de partijleiding de taak mee om het pensioenstelsel uit te leggen aan hen. Het was niet altijd even eenvoudig in de Senaat. Het was vaak moeilijk werk, en ik wekte in het begin negatieve gevoelens op omdat ik een mediafiguur ben. Anderzijds slaagde ik erin, door mijn bekende persoonlijkheid en met mijn vertrouwde gezicht en stem, om de mensen naar me te laten luisteren. Dat was fantastisch.

Op dit moment werk ik aan een nieuw boek. Ik weet nog niet of dat er zal komen, want ik merk dat ik trager ben dan vroeger. Ik vergeet bepaalde dingen en dat is vervelend. Anderzijds zit ik niet stil. In 2008 is het vijftig jaar geleden dat het Expo 1958 was. Ik had in die periode niet veel met de Expo te maken, maar ik word toch door verschillende mensen gevraagd om dingen daar rond te doen. Ik word een beetje beschouwd als een museumstuk. Verder zit ik in beheerraden van de Televisieacademie en van Pro Lege. Ik ben ook lid van de Algemene Vergadering van de Vereniging van Bezoekers aan Verzorgingsinstellingen.

Ik merk wel dat ik soms eenzaam ben als ik enkele dagen geen sociale contacten heb. Maar ik ben nog mobiel en ga op bezoek bij vrienden. Ik zie mijn zoon, schoondochter en kleinzoon ook regelmatig. Toch ben ik bang voor het moment waarop ik minder mobiel zal zijn. Ik ben 82 en mijn gezondheid wordt precieuzer. Ik verzorg me en dat vraagt veel tijd. Ik lees veel over gezondheid en vraag de dokter uit. Het is belangrijk om zolang mogelijk fit te blijven. Wandelingen en Tai Chi lessen helpen me daarbij. Ook heb ik behoefte aan mensen om me heen. Het klinkt als een boutade maar ik zou gezond willen sterven.

Dienstmeisjes emanciperen

Omdat ik een bekende vrouw was, kwam ik regelmatig in kranten en tijdschriften. Het is meermaals gebeurd dat die artikels verschenen met als kop dat ik voor mijn gezin koos, en mijn gezin het allerbelangrijkste vond. Dat heb ik tijdens die interviews echter nooit gezegd. Ik vertelde net hoe graag ik werkte. Maar de journalisten projecteerden de toen gangbare meningen in die artikels. Het hoorde zo. Verschrikkelijk gewoon.

Zonder mijn werk zou ik ongelukkig zijn geweest. Bovendien zou ik dan een slechte moeder en echtgenote zijn geweest. Huisje, tuintje, boompje, kindje was niet voldoende voor me. Ik ben altijd blijven werken en dat was mogelijk. Mijn man steunde me bij mijn werk en dat was fantastisch. Hij kon heel goed organiseren en dat heeft veel geholpen. Het was ook broodnodig. Ik ging wel nooit op café met de mannen. Dat moet ik toegeven. Van dat clubje van de mannen met macht heb ik nooit deel uitgemaakt. Mijn man is daarvoor naar mijn baas gestapt toen ik pas bij de televisie werkte. Ik was het daar niet mee eens, maar hij ging naar mijn baas en zei hem: ‘als ik mijn vrouw uit het café moet komen halen, dan ben je haar kwijt’. En ik moet eerlijk zeggen dat zijn kordaatheid een gunstig effect had. Ik werd correct behandeld, op kantoor.  

Tijdens de momenten dat ik even niet aan het werken was, bleef ik ermee bezig. Als ik nu foto’s van toen terugzie, dan vraag ik me wel eens af waaraan ik op die momenten dacht. Het werk zat in mijn hoofd, weekend of niet. Ik heb nu nog steeds een vreemd gevoel en krijg een dipje als het zaterdag is. Dat is in me blijven zitten.

Onze zoon werd opgevangen door dienstmeisjes. Zij waren zijn beste vriendinnen. Hij wilde zelfs niet naar de kleuterschool! Soms had ik er wel schuldgevoelens over dat ik mijn echtgenoot en zoon achterliet. Ik hoorde van mijn man dat ze samen naar me zaten te kijken op de tv en dat hij tegen onze zoon zei: ‘mama komt wel thuis’. Het klinkt droevig, maar dat was het blijkbaar niet, want als ik het hem nu vraag, zegt hij dat hij me niets kwalijk neemt. Bij mijn laatste verjaardag zei hij dat ik nog altijd de vuurtoren van de familie ben. Zoiets voelt geweldig.

Die periode met de dienstmeisjes was speciaal. Ik heb het daar met mijn collega’s en medewerkers vaak over gehad, toen we een programma maakten over het onderwerp bijvoorbeeld. Hoe moesten we die vrouwen noemen: dienstmeisjes, het klinkt zo gek. Was ‘Tinnekes Van Heulen’ dan een betere naam? Deze vrouwen waren arm en kwamen vanuit Limburg naar Brussel, omdat ze daar meer geld konden verdienen. En uiteindelijk zijn al onze dienstmeisjes goed terechtgekomen. Ze studeerden bijvoorbeeld toen ze bij ons in dienst waren. Een van hen is later verpleegster geworden en een psychiatrisch verzorgster. We hadden altijd een goede band met hen en hebben hen eigenlijk helpen emanciperen. Spijtig genoeg werden niet al die jonge meisjes op zo’n manier behandeld.

Zo trots

Die dienstmeisjes van toen bestaan nu natuurlijk niet meer. Zij hebben mij, mijn man en zoon – net zoals onze schoonmaaksters trouwens – enorm gesteund en geholpen. Maar nu zijn er allerlei andere voorzieningen. Toch klagen de jonge vrouwen van vandaag nog over die combinatie van hun gezin met hun werk. En ik snap dat niet, want op hetzelfde moment hebben ze zoveel kansen en doen ze het erg goed!

Iets waar ik lang mee heb gezeten is het gebrek aan een universitaire opleiding. Dat heb ik lang als een gemis ervaren. Ik ben erg jong beginnen werken en daar zaten de oorlogsjaren voor iets tussen. Later gaf het feit dat ik een woord vooraf voor boeken van twee academici geschreven had een goed gevoel. Bovendien betekende het maken van televisieprogramma's een permanente vorming. Daarbij zijn de universiteiten altijd bereid geweest om ons te adviseren voor de wetenschappelijke uitzendingen.  

Ik ben ervan overtuigd dat vrouwen nu alles kunnen en veel kansen krijgen, maar ze moeten die ook grijpen. Dat is natuurlijk iets anders. Werken combineren met een gezins- en privéleven is niet evident, dat is waar. Maar er zijn zoveel voorzieningen tegenwoordig. Je moet die natuurlijk wel efficiënt weten te gebruiken. En de mannen helpen nu toch meer dan vroeger. Je moet natuurlijk wel keuzes maken, want het is niet meteen evident om een carrière uit te bouwen en vijf kinderen op de wereld te zetten. Dat gaat niet.

Alleen opklimmen tijdens je carrière en de top bereiken, dat is nog steeds moeilijk voor vrouwen. Dat geef ik toe, want dat zie ik ook rond me. Daarom ben ik heel trots op de vrouwen die het wel doen. Ik snap niet dat daar niet meer om gejuicht wordt, dat de mensen niet inzien hoe fantastisch het wel is om vrouwelijke ministers, bedrijfsleiders en onderzoekers te hebben. Ik denk dat het te maken heeft met afgunst. Daarom probeer ik aan de vrouwen in kwestie te zeggen dat ik trots op hen ben, dat ik het heel knap vind wat ze doen of wat ze hebben bereikt. Dat zullen ze niet vaak horen! Een tijdje geleden ontmoette ik Christine Van Broeckhoven. Zij is het voorbeeld van een vrouw op wie we trots op mogen zijn, omdat zij als vrouw zo’n baanbrekend onderzoekswerk verricht op het gebied van de ziekte van Alzheimer, het grote gezondheidsprobleem van de toekomst.

Maar die vrouwen aan de top moeten natuurlijk hard knokken. Achter hun rug wordt vaak gefluisterd dat ze harde tantes of bitches zijn. En dat is spijtig genoeg iets van alle tijden. De vechtersbazen arriveren waar ze willen geraken, maar het gaat moeilijk. Ikzelf ben nooit heel ambitieus geweest, vind ik zelf, maar in de periodes waarin ik voor mezelf opkwam of waarin ik een team moest leiden, werd ik wel eens een heks genoemd. Niet in mijn gezicht, maar je hoorde het wel achter je rug natuurlijk.

Ik kan er niet tegen dat een heleboel jonge vrouwen dit allemaal zien gebeuren en op hetzelfde moment roepen dat ze geen feministes zijn. Dat maakt me woest. Ik ben een feministe en zal dat altijd blijven. Ik herinner me nog hoe Lea Martel bijvoorbeeld heeft moeten ijveren om een kinderopvang te krijgen bij de BRT. En hoe het huwelijksgoederenrecht is ingevoerd, en en… Ach, er is veel verbeterd en veroverd, maar de geleverde strijd lijkt te worden vergeten en dat vind ik heel spijtig. Vrouwen moeten hun eigen geschiedenis kennen.

Thuisblijven, of niet?

Ik las in de krant dat ze meer vrouwelijke bus- en tramchauffeurs willen aantrekken bij De Lijn en dat ze huisopvang voor zieke kinderen voor hun werknemers willen voorzien. Dat zijn geweldige maatregelen die vrouwen echt kunnen helpen om uit werken te gaan, een loopbaan uit te bouwen en kinderen te hebben. Zoiets maakt die combinatie van gezin en werk veel eenvoudiger.

Loopbaanonderbrekingen en ouderschapsverlof, de voorzieningen om thuis te blijven voor de kinderen, vind ik wel goed voor werknemers in bepaalde sectoren en op bepaalde niveaus. Daar waar mensen ook voor een tijdje kunnen worden gemist. Maar ik zou daar zelf nooit gebruik van hebben gemaakt. Ik had dat niet gewild, want ik werkte te graag. Maar het had, denk ik, ook simpelweg niet gekund. Halftijds of deeltijds werken was zelfs niet aan de orde! Dat geldt natuurlijk niet voor alle banen, maar in de televisiewereld zag ik dat toch niet gebeuren. Vrouwen die aan de top staan kunnen toch ook niet zomaar even verdwijnen.

Op een bepaald moment, in 1981, ben ik echter verplicht geweest even uit dat werkritme te stappen. Toen veranderde alles voor me en ging ik anders denken. Er werd vastgesteld dat ik borstkanker had en ik moest thuisblijven. Tijdens de zware behandeling ben ik beginnen te twijfelen. Zou ik wel teruggaan naar de BRT, zou ik wel verder werken of kon ik vanaf dan beter thuis blijven? Maar ik was zo gehecht aan dat werk. Ik kreeg bezoek van collega’s en bazen en zij overtuigden me om weer te beginnen werken. Ik deed het. Ik kreeg stapels brieven en mijn kantoor werd met bloemen versierd. Achteraf bleek dat het de juiste keuze was.

In die tijd was er nog lang geen rookverbod, maar ik wilde niet in een doorrookt bureau zitten. Dus ik mocht een eigen rookvrij kantoor inrichten. Dat zat natuurlijk altijd afgeladen vol, want iedereen die probeerde te stoppen met roken kwam bij mij zitten. Het was weer een strijdje meer dat ik had gewonnen.

Interview: Saskia Martens

over deze site | site map | contacteer ons | ©2006-2008 RoSa documentatiecentrum