Persoonlijk:
Geboren op 25 februari 1941 in Sinaai
Getrouwd in 1965. Gescheiden in 1988. Alleenstaand.
Kinderen: Frede (°1966), Tineke (°1967) Dieter (°1969) Van Der Eecken
Opleiding:
Geaggregeerde voor het Lager Secundair onderwijs (1960)
Eerste baan:
Lerares Nederlands/geschiedenis Instituut Berkenboom Moderne Humaniora Sint-Niklaas (1960-1971)
Loopbaan:
Gemeenteraadslid van Sint-Niklaas voor de Volksunie (1970 - 2001)
Schepen van Sint-Niklaas (1989-1995)
Parlementslid: Volksvertegenwoordiger (VU, 1971-1977 en 1985-1991)
Senator (1978-1981 en 1991-1995) en Provinciaal Senator (1991-1995)
Secretaris van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (1988-1991)
Vlaams volksvertegenwoordiger (VU, 1995-1998)
Europees Parlementslid (VU, 1998 - 2002 en Spirit 2002-2004)
Nu:
Gemeenteraadslid Sint-Niklaas
Nationaal ondervoorzitter Spirit
Voorzitter Vlaams Vredesinstituut bij Vlaams Parlement
Voorzitter EVA (Europese Vrije Alliantie)
Ik ben de oudste uit een gezin van zes. De vanzelfsprekendheid waarmee jonge mensen vandaag naar de universiteit gaan, daar kon ik alleen van dromen. Ik wilde graag naar de universiteit, maar dat kon niet. Ik wilde zo snel mogelijk afstuderen van de normaalschool om werk te vinden als lerares. Dan kon ik met mijn loon het gezin van mijn ouders steunen. Ik stond op mijn negentiende al voor de klas in de humaniora van Sint-Niklaas.
Mijn moeder was huisvrouw. Als kind wist ik al dat dat niets voor mij was en ik wilde onder geen beding naar de huishoudschool. Ik weigerde een naaimachine te gebruiken omdat ik vreesde dat die vaardigheid tegen mij zou gebruikt worden. Ik dacht: als ik niet kan naaien, zal men mij nooit opzadelen met allerlei huishoudelijke klusjes. Het huishouden was toen de logische keuze voor jonge vrouwen. Geen van mijn klasgenootjes uit de lagere school heeft ooit een hoger diploma gehaald, en maar weinigen maakten de middelbare school af. Dat was simpelweg een verloren investering. Meisjes stopten toch met werken zodra ze trouwden dus ouders konden hun geld beter aan hun zonen spenderen. Dat vond ik zeer tragisch.
Mijn vader was veehouder, dat was zijn vak. Maar na de oorlog waren de omstandigheden bar. Er waren veel boeren in ons dorp en in de jaren vijftig verdienden zij het zout op hun patatten niet. Vaak telden die gezinnen meer kinderen dan koeien. De toestand was uitzichtloos. Als mijn vader in de fabriek of in de steenbakkerij zou gaan werken, zou hij meer verdienen, maar het zou zijn dood betekenen. Dat wisten we allemaal. Die gedachte kon ik niet verdragen, ik wilde niet dat hij zijn waardigheid zou verliezen. Dankzij mijn loon kwam er brood op de plank en kon mijn vader zijn bedrijf blijven runnen.
Die omstandigheden uit mijn jeugd hebben mijn politieke ideeën gevormd. Ik vond het vreselijk dat niemand opkwam tegen het onrecht en de armoede waarin mensen leefden. Ik was wel trots dat ik zo’n belangrijke rol kon spelen in het gezin van mijn ouders. In ruil kreeg ik veel vrijheid. Mijn ouders lieten me bijvoorbeeld toe om bij te verdienen door les te geven aan volwassenen of lezingen te geven voor het Davidsfonds. Met dat geld kon ik me dan een kleine extra permitteren en ging ik bijvoorbeeld op reis. Mijn engagement buiten mijn job als onderwijzeres, bijvoorbeeld bij het Davidsfonds en stichting Lodewijk De Raet, waren even belangrijk en namen evenveel tijd in beslag. Mijn broers en zussen vertellen dat ze me nooit zagen. Ik had het altijd zo druk.
Door die buitenschoolse activiteiten kwam ik geregeld in Leuven. Het was de periode van Leuven Vlaams en zo ben ik in contact gekomen met het studentenmilieu waar ik zo graag toe wilde behoren. Ik heb met mijn eigen ogen de studentenrevolte zien groeien, ik maakte er zelf deel van uit. Ons motto was zelfredzaamheid. We wilden ruimte maken voor nieuwe ideeën en dat kon alleen door het gezag te verwerpen. We wilden debatten organiseren waar zaken écht aan de kaak werden gesteld. Geen valse monologen waar de spreker een beleefd applaus krijgt na zijn toespraak. Er broeide wat in Vlaanderen.
De ideeën die ik daar opdeed paste ik toe in mijn klas. Ik zag wel wat in de creatieve methodes, zoals lesgeven in een kring. Dat viel niet altijd in even goede aarde want het zorgde ook voor wanorde. Alle banken moesten bijvoorbeeld terug op hun plaats worden gezet. De methoden waren heel vernieuwend, en op dat ogenblik ongezien in het onderwijs. Het was een leuke tijd waar ik goede herinneringen aan bewaar.
Maar op school veranderde er te weinig naar mijn zin. Om de school te veranderen, moest ik de politiek veranderen. Ik geloofde in structurele vooruitgang, via de Vlaamse beweging, op het vlak van democratisering en emancipatie. Ook voor vrouwen, al werden vrouwenkwesties in die tijd door de mannelijke politici gezien als een luxeprobleem. Vrouwenemancipatie stond toen helemaal niet op de politieke agenda. De vrouwen van mijn generatie behoren bij de eersten die mochten blijven lesgeven nadat ze getrouwd waren. Op een dag vroeg een leerling me hoe het was om moeder te worden. Zoiets zouden mijn leerkrachten me nooit hebben kunnen uitleggen. Ofwel waren ze jong en nog niet getrouwd, ofwel waren ze in het klooster en zouden ze nooit trouwen.
Wie trouwde bleef thuis en kreeg kinderen, zo hoorde het. In mijn herinnering lijkt het of mijn moeder voortdurend voor kleine kinderen moest zorgen. Gelukkig bestond er in mijn tijd al zoiets als gezinsplanning. Ik heb altijd drie kinderen gewild en zo is het gebeurd. Ik heb twee dochters en een zoon. Ze zijn niet lang na elkaar geboren, met een tussentijd van anderhalf jaar. Verder slikte ik de pil.
Werken is voor mij altijd heel evident geweest. Zelfs als ik heel mijn salaris zou moeten uitgeven om hulp in huis te halen. Ik wilde kost wat kost buitenshuis werken. Maar vroeger was het niet makkelijk om huishoudelijke hulp te vinden. Er waren weinig mogelijkheden voor kinderopvang. Bovendien telt een babysitter niet als beroepsuitgave, maar een receptionist voor een advocaat wel. Terwijl opvang even goed strikt noodzakelijk is om mijn beroep te kunnen uitoefenen.
Zolang ik thuis was mocht ik niet aan politiek doen. Mijn vader wilde er niets over weten en mijn moeder vond politiek gevaarlijk. Zij hadden de oorlog meegemaakt en waren het leed niet vergeten. Mijn vader zei: Je mag alles doen, zolang je maar niet in de politiek stapt. Dat is wel anders uitgedraaid. Gelukkig is hij mijn grootste fan geworden. Als ik veertien was, nam ik deel aan een Welsprekenheidswedstrijd. Mijn thema was ‘Past het dat vrouwen praten over politiek?’. Nu ik erover nadenk: misschien was dat wel mijn eerste politieke statement. Helaas moest ik de duimen leggen voor Staf Nimmegeers, die een ludieke tekst bracht over succes door gewicht. Ik werd tweede.
Ik geloofde niet dat verandering zou komen van de bestaande politieke partijen. Daarom vestigde ik mijn hoop om de wereld te veranderen op die nieuwe politieke partij, de Volksunie. In 1965 trouwde ik en gingen we in Sint-Niklaas wonen. Daar woonde ik een meeting bij van de Volksunie en twee jaar later werd ik lid en stapte ik in het bestuur. Principes van pluralisme en federalisme droegen we hoog in het vaandel. Ik ben op Maurits Coppieters toegestapt en ik heb hem op de man af gevraagd wat ik kon doen om te helpen. Ik wilde mijn steentje bijdragen.
Een jaar later stond ik op de lijst op een niet-verkiesbare plaats. Ik was niet gehaast om een mandaat te krijgen, ik had namelijk nog een job én een gezin. Wel wilde ik een kans om te bewijzen wat ik in mijn mars had. Om te laten zien dat ik alle kwaliteiten had om een goed politicus te zijn: spreekvaardigheid, organisatietalent, inzicht en aanleg om campagne te voeren. Dus startte ik als een van de eerste voorzitters van de Volksunie Jongeren. Ik heb een belangrijke rol gespeeld in het structureren van de organisatie en het afdwingen van erkenning en bestaansrecht. Dat was niet evident omdat de Volksunie Jongeren werden aanzien als rebels. Wij spraken ons uit voor vrouwenemancipatie en pluralistische scholen, tegen apartheid in Zuid-Afrika en tegen de Amerikaanse bombardementen op het communistische Noord-Viëtnam. We hadden aandacht voor het milieu en protesteerden tegen de komst van kerncentrales. Activisme speelde een grote rol, ik heb me met hand en tand ingezet voor deze doelen. Aan deze periode heb ik mijn bijnaam Rode Nelly te danken. Zodra ik op de lijst van Volksunie stond, werd ik niet meer gevraagd om te spreken in de katholieke verenigingen.
Moest ik niet deeltijds hebben kunnen werken, zou ik nooit in de politiek zijn kunnen gaan. Ik ben een voorstander van deeltijds werk. In de feministische organisatie was er veel discussie over dit onderwerp. Het zou vrouwen in een slecht statuut duwen. Vanzelfsprekend moet het deeltijds statuut volwaardig zijn. Mannen zouden ook meer deeltijds moeten werken en gezinstaken moeten opnemen. Volgens enkele feministen moeten vrouwen voltijds werken. Ik denk dat dat niet altijd haalbaar is. Ik had het voordeel dat ik mijn lessen kon verminderen wanneer ik meer kinderen kreeg. Bij veel beroepen gaat dat niet.
In 1970 kwam ik op voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ik had geen geld om campagne te voeren. We hadden van onze spaarcenten een klein autootje gekocht en ik reed met de microfoon in de hand rond in Sint-Niklaas. Ik wilde de mensen op straat aanspreken, naar hen luisteren en de situatie aanklagen. Bij de apotheker vroeg één van de klanten zich af wie die vuile muil was. Het was misschien niet de meest beminnelijke strategie, maar ze was wel effectief. De tijd was er ook niet naar om te kiezen voor een beminnelijke strategie. Door de boxen liet ik luid het nummer ‘Er komen andere tijden’ van Boudewijn De Groot spelen. Vandaag zou men veel van onze ludieke acties terrorisme noemen.
Als lerares was ik een bekend figuur in de buurt en nationaal had ik contacten opgebouwd door mijn lezingen bij het Davidsfonds. In 1970 kwam ik opnieuw op de lijst voor de federale verkiezing. Het waren woelige tijden, de regeringen waren onstabiel en er waren om de haverklap verkiezingen. Onze kleine partij haalde twee van de vier kamerzetels in het Land van Waas. Per vergissing werd ik verkozen verklaard. Dat was totaal onverwacht. Mijn huis stond vol bloemen, wat hebben we toen gevierd. De Volksunie wilde een vrouw in het Parlement, geen me-vrouw. Men wilde iemand die van katoen kon geven. Maurits Coppieters ging naar de Senaat en ik kwam als zijn opvolgster in de Kamer. Enkele dagen later bleek dat Binnenlandse Zaken verkeerd had geteld.