RoSa-documentatiecentrum
Beeldvorming van Arbeid

Terug naar de galerij

Persoonlijk:
Geboren op 5 augustus in 1943 in Heist-aan-Zee
Getrouwd in 1975

Opleiding:
Zusters van Onbevlekte Ontvangenis in Heist (1949-1954)
Rijksmiddelbaar atheneum in Knokke (1955-1958)
Atheneum van Brugge (1958-1961 )
Dokter in de genees-heel-en verloskunde aan de Universiteit Gent (1969)
Psychiatrie aan de Universiteit Gent (1970)
Erkenning als neuropsychiater (1973)

Eerste baan:
Huisartsstage in Heist-aan-Zee, Sint-Martens-Latem (1969)

Loopbaan:
Hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Gent
Voorzitter Vereniging van Vlaamse Psychiaters (1985)
Voorzitter Belgische Liga van Depressie (2000

Nu:
Psychiatrische praktijk in Gent

Myriam Van Moffaert

“Wat er in mijn vakgebied aan de gang is, volg ik op de voet.”

Ik kwam voor het eerst in contact kwam met psychiatrie toen ik geneeskunde studeerde. Ik keek graag naar “Cécilia, médécin de campagne”, een televisiefeuilleton uit mijn jeugd. Het leek me zo romantisch, met je auto van patiënt naar patiënt rijden. Ik wou dus huisarts worden en ging geneeskunde studeren in Gent. Maar de overgang van mijn dorpsomgeving in Heist naar de studentenstad was groot. De eerste jaren genoot ik ten volle van het vrije studentenleven en waren mijn resultaten verre van schitterend. Maar daarna heb ik me herpakt en ben ik een serieuze studente geworden.

In Heist, in de sociale context waarin ik opgroeide, was het een grote uitzondering om te kiezen voor een universitaire studie. Ik kwam ook helemaal niet uit een universitair milieu. Toen ik vier was, zou ik gezegd hebben tegen de vroedvrouw, die mijn moeder bijstond bij de thuisbevalling van mijn jongere broer, dat ik dokter wilde worden. Ik zou gedaan hebben alsof ik mijn poppen opensneed. Ik kan het me niet meer herinneren, maar het lijkt me vreemd dat ik mijn poppen zou opensnijden. Misschien heb ik het wel verdrongen. Het kan natuurlijk evengoed dat ze het achteraf heeft bedacht, in het licht van mijn latere beroepskeuze.

Mijn vader en moeder hebben mij altijd erg gesteund in mijn studiekeuze. Ze waren zeer vooruitstrevend en tolerant en lieten mij heel vrij. Ik mocht bijvoorbeeld op mijn veertiende naar Venetië liften, terwijl dat ook in die tijd niet zonder gevaar was. Mijn vader was kleermaker, mijn moeder huisvrouw. Ze hebben samen ook lang een jeugdherberg uitgebaat in Heist. Er kwamen jongeren logeren uit de hele wereld, dat heeft zeker bijgedragen tot de ruimdenkendheid in ons gezin.

Mijn eerste doktersstage was in Heist. Ik behandelde toeristen, maar ook échte Heistenaren, ook vissers. Tijdens mijn stage in Sint-Martens-Latem kwam ik in contact met gegoede mensen uit villawijken, maar ook met boeren en meisjes die in de bars van de Kortrijksesteenweg werkten. Die verscheidenheid, dat vond ik boeiend.

Via mijn stagemeester kwam ik in contact met professor Ernst Verbeek, een vooraanstaand Nederlands psychiater. Dankzij hem ben ik de psychiatrie ingetuimeld, al is ‘getuimeld’ niet het juiste woord. Psychiatrie is een roeping. Men zegt toch altijd dat wie psychiatrie kiest, op zoek is naar oplossingen voor eigen kwelgeesten? Niet dat ik toen veel psychische problemen had, dat denk ik toch. Ik had vooral een sterke interesse voor die specifieke medische specialiteit. Hoe de psychologisch deviante motieven van mensen hun gedrag en gevoelens maar ook hun lichaam beïnvloeden. Ik was, en ben nog steeds geïntrigeerd door de wisselwerking tussen karakter en biologie, tussen emoties en lichaam. Die eerste kennismaking met psychiatrie beviel me zo goed dat ik er een carrière in wilde uitbouwen. Dus werd ik assistente, later professor, en hield ik me bezig met patiëntenzorg en onderzoek.

Rode draad in mijn werk zijn de ziekten van de vrouw. Ik heb vaak gewerkt rond onderwerpen als hormonen, postnatale depressie, menopauze: typische vrouwenproblemen. Maar evengoed bestudeerde ik ziekten die niet typisch vrouwelijk waren, maar die bijvoorbeeld vaker bij vrouwen voorkwamen, zoals anorexia nervosa, boulimie, automutilatie en chronisch vermoeidheidssyndroom.

Ik heb mij ook voortdurend ingezet om de positie van de vrouwelijke arts te verbeteren. Hoewel vroeger weinig meisjes geneeskunde studeerden, zijn geneeskunde en dus ook psychiatrie altijd relatief open geweest tegenover vrouwen. Toch hadden vrouwelijke geneesheren – het woord spreekt voor zich - ondanks hun kwaliteiten het moeilijker om te bereiken wat ze wilden. Nu hebben jonge vrouwen het idee dat ze ‘er wel zullen komen’ en dat wilskracht genoeg is. Toch zie ik nog al te vaak jonge vrouwen die heel veel investeren in studie en werk wanneer er kinderen komen tijdelijk of definitief verzaken aan hun loopbaan. Je kan maar moeilijk een topchirurg zijn en over heel de wereld lezingen geven zonder dat er iemand is om het thuisfront te stabiliseren. Jonge vrouwen worden nog steeds verplicht te kiezen. Wat niet wegneemt dat sommigen er wel in slagen om een evenwicht te vinden. Maar nooit zonder compromissen te sluiten. Er zijn vrouwen die drie of vier kinderen hebben en tegelijk hoofdgeneesheer zijn in een ziekenhuis. Maar dan moeten die kinderen toch heel braaf zijn en moeten echtgenoot, moeder of schoonouders een handje toesteken.

Tijdens mijn carrière wilde ik ook op beleidsniveau mijn stempel drukken. Op een bepaald moment wilde ik overal voorzitter zijn. Zo werd ik in 1985 de voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Zenuwartsen. Ik heb behoorlijk voor moeten lobbyen om de eerste vrouwelijke voorzitster te worden. Mijn doel was het bestuur te feminiseren maar ik ben tot hiertoe de enige vrouwelijke voorzitster gebleven. Ondertussen is er wel meer genderpariteit in het bestuur. In 1999 ben ik ook voorzitter geworden van eerst de Medical Women’s Association of Belgium, kortweg MWABe, de Belgische vrouwelijke artsenvereniging en in 2001 van de Europese vrouwelijke artsen. De vorige voorzitster is nu 85 en de huidige is een Italiaanse chirurg van 45. Geregeld komen we nog samen en daar heb ik het gevoel dat ik nog meetel. Het geeft me de illusie dat ik nog mee beslis over vrouw-belangrijke aangelegenheden op geneeskundig gebied.

In 1992 werd ik hoofddocent en daarbij hoorde een uitgebreide lesopdracht. Dat beviel me weinig. Ik zag er tegen op om les te geven aan zo’n grote groep studenten psychologie, pedagogie, rechten of geneeskunde. Niet dat ik nog nooit voor een groep had gestaan, want ik gaf regelmatig lezingen in binnen- en buitenland. Maar de dynamiek van een lezing is heel anders: iedereen is geïnteresseerd in wat je komt vertellen en is geboeid door het ‘nieuwe’ van het verhaal. Doceren aan studenten is lastig. Het is moeilijk om ze lang geboeid te houden. Je moet hun aandacht blijven houden. Mijn man was docent Engels en had er me al voor gewaarschuwd, maar ik luister helaas te weinig naar zijn goede raad. De eerste jaren was het lesgeven dus geen groot succes. Ik wilde het voor bekeken houden, en de studenten trouwens ook, toen het plots wel begon te lukken. Ik deed beter mijn best, maakte de les boeiender en kreeg goede respons van de studenten. Achteraf bekeken heb ik wel graag lesgegeven.

Mijn man heeft nooit een probleem gemaakt van mijn carrière. Hij is zeker geen doetje, maar hij was wel inschikkelijk en geëmancipeerd. Samen deden we het hoogstnoodzakelijke in het huishouden. We hebben over van alles van mening verschild, maar het huishouden ging eigenlijk altijd vanzelf. We gingen met twee werken en er waren weinig discussies over wie wat moest doen. Wie beschikbaar was, deed spontaan wat nodig was, met het nodige gezaag en geklaag. Eigenlijk hechtten we er allebei weinig belang aan. Lekker eten is fijn, maar uren in de keuken staan vinden wij beiden niet erg interessant.

Ik dacht altijd dat ik het lastig had en dat ik veel te weinig vrije tijd had om te doen wat ik echt wilde. Ik had het gevoel dat ik geen goede deal had wat de combinatie arbeid/privé betreft. Dat is achteraf bekeken toch niet zo. Ik heb onlangs een paar oude agenda’s teruggevonden en daaruit bleek dat ik een heel goede balans kon vinden tussen mijn werk en mijn vrije tijd. Ik combineerde een internationaal congres bijvoorbeeld altijd met enkele extra vakantiedagen.

In september 2003 ben ik met pensioen gegaan aan de universiteit. Dat wil zeggen: ik stopte met lesgeven en onderzoek doen. Niet zonder spijt in het hart, want ik mis het zeker. Mijn man zegt soms al lachend dat het zo’n mooie tijd was wanneer ik ’s morgens naar het ziekenhuis vertrok en pas ’s avonds laat terugkwam. Zodat hij een hele dag alleen was en zijn zin kon doen. Hij is vijf jaar eerder met pensioen gegaan en was dus vaak thuis terwijl ik nog uit werken ging. Ik heb dat in mijn praktijk wel vaker meegemaakt: dat partners dertig jaar lang gaan werken plots van de ene dag op de andere voortdurend met elkaar opgescheept. Dat kan zorgen voor spanningen.

Nu ik met pensioen ben, merk ik dat ik heel inefficiënt ben in het huishouden. Mijn man heeft het overgenomen en ik profiteer daar eigenlijk wel een beetje van. Ik dacht altijd dat ik pompoensoep zou gaan maken als ik met pensioen was. Dan zou ik daar tijd voor hebben. Maar nu blijkt dat ik helemaal geen zin heb om pompoensoep te maken. En als ik het probeer, mislukt het. Ik heb er gewoon het geduld niet voor.

Het is wel aangenaam om meer tijd te hebben voor vrienden en familie. Vroeger kregen mensen een beperkte tijd toegemeten, hoe lelijk het ook is om te zeggen. In plaats van rekening te houden met het behoeftepatroon van de andere legde ik mijn eigen toegemeten tijd op. Soms doe ik dat nog, maar het is toch wel veel verbeterd. Ik werk eraan.

Verder geniet ik wel van de ledige tijd. Niet dat ik mediteer of voor me uitstaar, maar ik neem veel meer mijn tijd voor dingen. Vroeger moest ik voortdurend zaken combineren. Voor ik een aangetekende brief ging posten, stak ik nog gauw een wasmachine in en liep ik vervolgens langs bij de bakker. Ik was altijd gehaast. Nu neem ik altijd net iets te veel tijd voor zulke dingen. Ik bereid me voor, neem een trage start en laat achteraf alles even bezinken. Daar geniet ik wel van op een bepaalde manier.

Ik zie ook nog steeds een aantal patiënten in mijn praktijk. Maar niet meer aan hetzelfde tempo als vroeger. Ik kies mijn patiënten bewust uit en selecteer wie het meest baat heeft bij mijn jarenlange ervaring. Of ik geef een tweede opinie over patiënten van jongere psychiaters, mijn vroegere assistenten, wanneer ze daarom vragen. Mijn huidige patiënten situeren zich binnen een specifiek veld van de psychiatrie waar ik mij over de jaren in heb gespecialiseerd: zelfverminking, nagebootste ziekte, vrouwenthematiek, huidziekten door psychische problemen en nieuwe geneesmiddelen. Ik kan geen patiënten aannemen die een intensieve behandeling nodig hebben, want ik kan hen niet meer voldoende ontvangen.

Lees verder...

over deze site | site map | contacteer ons | ©2006-2008 RoSa documentatiecentrum