Persoonlijk:
Geboren op 23 september 1944 in Heusden-Zolder
Getrouwd in 1970. Gescheiden in 1994. 1 zoon, geboren in 1978. Nu alleenstaand.
Opleiding:
Onderwijsdiploma (1963)
Licentiaatsdiploma Pedagogische Wetenschappen (1971)
Doctoraat in de Pedagogische Wetenschappen (1978)
Eerste baan:
Onderwijzeres in de lagere school (1963-1966)
Loopbaan:
Voltijds wetenschappelijk onderzoeker aan de K.U.Leuven (1971-1986)
Hoogleraar geworden in 1968.
Deeltijds verbonden als hoogleraar aan de K.U.Leuven (1986-2004), in combinatie met:
- Voltijds KAV secretaris (1986-1989)
- Europarlementslid voor CVP (1989-1994)
- Volksvertegenwoordiger in het Federale Parlement CVP (1995-1999)
Emeritaat op de K.U.Leuven in 2004
Nu:
Voorzitter CD&V Senioren
Fractieleider CD&V provincieraad Vlaams-Brabant
Toen ik aan de slag ging als onderwijzeres en mijn allereerste loon kreeg uitbetaald, was ik dolgelukkig: ik had een baan die ik altijd al had gewild, ik deed het graag én ik werd er nog voor betaald ook. Fantastisch toch! Maar verder studeren en werken was niet evident voor meisjes uit het arbeidersmilieu. Het was toen het begin van de jaren zestig en ik had al moeten knokken om onderwijzeres te worden. Bovendien had ik nog een hele weg te gaan. Ik heb stevig moeten vechten om uiteindelijk al die kansen te krijgen, want dat ik zou werken, dat stond voor mij altijd al vast.
Voor ik iets meer kan vertellen over mijn carrière wil ik het graag hebben over mijn jeugd en de opleidingen die ik heb gevolgd. Het is namelijk niet mogelijk om mijn loopbaan daar los van te bekijken. Bovendien was het niet vanzelfsprekend voor vrouwen van mijn leeftijd en ouder om toen te studeren. Werken en een loopbaan hebben moet dus worden gerelateerd aan de kans om te studeren. Die kans werd ook beïnvloed door het feit dat ik uit een mijnwerkersgezin kwam.
Ik ben geboren in 1944 in een katholiek mijnwerkersgezin, als de eerste dochter van zes kinderen. Ik wilde als klein meisje al dolgraag onderwijzeres worden. Waarom? Wel, dat was het hoogste en het beste wat een vrouw kon bereiken. Onderwijzeressen waren in mijn omgeving de slimste vrouwen. Na het zesde jaar van de lagere school kon je naar een zevende jaar en achtste studiejaar, die je klaarstoomden voor de normaalschool. Nochtans had de hoofdonderwijzeres mijn klasgenoten en mij in het zesde jaar van de lagere school aangeraden om niet verder te studeren, want ‘je zou daar toch niets mee bereiken’ en ‘het zou weggegooid geld zijn’. Toch zijn alle negentien leerlingen naar het zevende jaar gegaan. Vanaf 1957 veranderde de wetgeving. Voortaan moest je eerst drie jaar middelbaar onderwijs volgen voor je naar de normaalschool kon. Met de nodige moeite en morele steun van mensen zoals de pastoor en de onderwijzeres is het mij toch gelukt om te beginnen. Het voelde allemaal heel negentiende-eeuws aan…
Na die opleiding tot onderwijzeres gaf ik drie jaar les. Het was heerlijk om te doen wat ik altijd had willen doen en iets terug te geven aan de maatschappij. Ik was in die periode ook heel actief in de chiro. Maar na die drie jaar voelde ik dat ik die baan niet mijn hele leven kon blijven doen. Ik had honger naar meer, wilde meer weten over opvoeding en onderwijs. Ik wilde naar de universiteit. En daar ging ik weer een strijd aan en ben ik aan de K.U.Leuven begonnen aan de opleiding Pedagogische Wetenschappen. Het was niet normaal voor een dochter van een mijnwerker om naar de universiteit te gaan. Mijn vader zei me dat zijn kameraden hem waarschuwden: ‘als ze naar de universiteit is geweest, dan mogen we onze fiets niet eens meer tegen haar deur zetten’, zeiden ze tegen hem. Nu lijkt dat misschien onbegrijpelijk, maar in die tijd was er een echte kloof. Toen ik aan de universiteit begon waren er misschien 10% meisjes, van wie er maar 2% uit dat arbeidersmilieu kwamen. Mijn ouders zijn wel naar mijn doctoraatsverdediging gekomen en ze waren heel trots op me. Maar wat de universiteit nu precies was en hoe alles werkte, daar wisten en begrepen ze niets van.
Financieel was het ook niet evident. Mijn ouders rekenden op mijn inkomen als onderwijzeres om het gezinsbudget te verhogen. Ik durfde de vraag bijna niet te stellen, maar mijn moeder verdedigde mij. Zij had die kans niet gekregen en kwam op voor mij. Die periode herinner ik me zeer goed. Uiteindelijk ben ik geen rechtstreekse financiële last voor hen geweest. Ik kwam er met mijn spaargeld: geld van een vakantiejob, zuinig leven, een studiebeurs en -lening. Mijn ouders moesten mijn maandelijkse inkomensinbreng wel derven, maar hoopten toen dat ik na mijn studies weer zou bijdragen. Dat is uiteindelijk niet gebeurd, want ik was ondertussen getrouwd.
Of ik zou werken, dat was voor mij altijd een evidentie. Tijdens mijn sollicitatiegesprek vroeg een professor mij of ik zou blijven werken. Ik heb toen geantwoord dat ik hoopte van wel. Dat was en is een vraag die aan een man niet wordt gesteld. Ik was in die periode al getrouwd, dus toen voegde die professor er nog een vraag aan toe: ‘wat vindt meneer ervan?’ Wel die steunde mij. En voor mij was werken wel degelijk een vanzelfsprekendheid. Ik had nu die kans gekregen van de samenleving om te studeren, als vrouw uit het arbeidersmilieu, en wilde iets terugdoen. Dat was mijn morele verplichting die verbonden was aan de kansen die ik had gekregen. Ik ben tijdens mijn loopbaan dan ook altijd heel attent geweest en heb geprobeerd te luisteren naar studenten die minder kansen hadden bijvoorbeeld. Bij de Kristelijke Arbeiders Vrouwen (KAV) voelde ik opnieuw de verbondenheid met dat milieu. Want ik wist wat het betekende om ‘geen kansen’ te hebben om te studeren. Het klikte dan ook meteen met die groepen en die vrouwen.
Je kunt die morele verplichting ten aanzien van dat milieu niet bekijken als een last. Integendeel. Ik heb altijd heel graag gewerkt, en werken op zich voelde niet alsof dat moest of verplicht was. Bovendien ben ik rustig van de ene functie in de andere gerold. Het gevoel van waardering dat daarmee gepaard ging, was dan ook zeer aangenaam.
Er zijn natuurlijk wel mindere momenten geweest, en periodes waarin het allemaal te veel werd. Maar dat had ik vaak aan mezelf te danken. Ik nam de opdrachten zelf aan en zette me er dan ook 100% voor in. Zo had ik mijn secretarisschap van de KAV kunnen weigeren, of neen kunnen zeggen tegen de taak bij het Europese parlement. Ik had me kunnen beperken tot mijn academische werk, maar dat heb ik niet gedaan. De geboorte van mijn zoon maakte alles ook gecompliceerder. Naast de dagelijkse, zware opdrachten was er nu ook dat kleine kind dat al eens ziek werd en voortdurend opvang nodig had. Alles moest blijven functioneren, dus ik propte mijn agenda vol en regelde er op los.
Net zoals het niet evident was voor mij om te gaan studeren, was het ook niet altijd even evident om als vrouw een carrière te hebben. Daar kan ik een heleboel verhalen over vertellen. Zo gebeurde het bij een academische viering dat enkele vrouwelijke collega’s en ik werden aangesproken door de hostess alsof we de echtgenotes van mannelijke professoren waren! Zo’n dingen gebeurden wel meer. En ik weet dat het nog steeds zo is, vrouwelijke hoogleraren zijn nog steeds een minderheid. Onlangs zat de jonge professor Eva Brems in het spelprogramma De Slimste mens. Erik Van Looy, de presentator, vroeg haar of ze gekke gewoontes had. Haar antwoord was heel treffend: ‘een vrouwelijke professor zijn is al gek genoeg’.
In de academische wereld werd uiteraard het gelijkheidsprincipe verdedigd. Mannen en vrouwen kunnen hetzelfde en moeten hetzelfde doen om gelijke posities te krijgen. Dat is een mooi idee, maar het brengt praktische problemen met zich mee: een vrouw zal niet zoveel publiceren als een man als ze kinderen heeft en daar zelf voor zorgt. Kun je hen dan gelijkschakelen? In de politieke wereld is er dan weer iets anders aan de hand. De quotawetten zijn goed geweest. Er komen meer vrouwen in de politiek. Hetzelfde geldt trouwens voor bedrijven. Maar wat me opvalt is dat vrouwen vaker voor een beperkte periode in de politiek blijven dan mannen. Toen ik in 1994 niet opnieuw gevraagd werd voor het Europees Parlement viel me op dat ze die functie voor mij als vrouw als ‘secundair’ beschouwden, voor mannen daarentegen was het een ‘broodwinning’.