RoSa-documentatiecentrum
Beeldvorming van Arbeid

Terug naar de galerij

Persoonlijk:
Geboren op 5 april 1943, in Sint-Niklaas

Opleiding:
Latijn- Wetenschappelijke Humaniora (1961) Diploma Maatschappelijk Werk (1964)

Eerste baan:
Wetenschappelijk medewerker van de studiegroep Mens en Ruimte (1964-1971)

Loopbaan:
Adviseur bij Intercommunale Dender, Durme en Schelde (1971)
Persattaché voor Staatssecretaris voor Streekeconomie (1972)
Directeur van het Instituut voor Politieke Vorming (IPOVO) (1973-1979)
Oprichter en voorzitter van Vrouw en Maatschappij (CVP) (1974-1983)
Volksvertegenwoordiger (CVP) (1978-1995)
Senator (1995)
Federaal staatssecretaris voor Leefmilieu en Maatschappelijke Emancipatie (1985-1992)
Federaal minister van Tewerkstelling, Arbeid en Gelijke Kansen (1992-1999)
Europees parlementslid (1999-2004)
Quaestor van het Europees Parlement (2002-2004)
Voorzitter Europäisches Zentrum für Arbeitnehmerfragen (1988-1995)
Voorzitter Europese Unie van Christen Democratische Werknemers (1995-1997)

Nu:
Minister van Staat (sinds 2002)
Vlaams Volksvertegenwoordigster (sinds 2004)
Gemeenschapssenator (sinds 2007)
Voorzitter van het Initiatief voor Sociale Cohesie van het Stabiliteitspact in Zuidoost Europa (sinds 2003)
Vice-Voorzitter van AWEPA, de vereniging van Europese parlementairen voor Afrika (sinds 2001)

Miet Smet

“Ik trek me bewust terug, er moet een nieuwe generatie komen die verder werkt aan de vrouwenemancipatie.”

Strijd om macht

Werken was voor mij altijd vanzelfsprekend. Ik begon na mijn opleiding meteen als wetenschappelijk medewerker bij de studiegroep Mens en Ruimte. Het was toen 1964 en we kwamen in contact met nieuwe onderwerpen zoals grondbeleid en ruimtelijke ordening. Die studiegroep was een broeinest van nieuwe ideeën en ik heb die baan zeer graag gedaan. Het klikte ook goed met de collega’s daar. Alles was nieuw aan die baan. Ik heb nadien trouwens die speciale antenne voor nieuwe onderwerpen behouden: leefmilieu en vrouwenemancipatie kwamen bijvoorbeeld op in de jaren zestig. Ik heb die onderwerpen proberen binnen te brengen in de politiek. Voor vrouwenemancipatie lukte dat, voor leefmilieu vond ik toen geen bodem binnen mijn partij.

Via mijn werk bij Mens en Ruimte heb ik ook leren spreken in het openbaar. Zo stond ik rond mijn 23ste voor een zaal van burgemeester en schepenen. Mijn baas had me gezegd dat ik gewoon moest zeggen: ‘de verstandigsten onder u begrijpen wel wat ik bedoel’. Iedereen barstte toen in lachen uit. Maar zo ging het, al doende heb ik het geleerd.

Op hetzelfde moment was ik actief bij de CVP jongeren. Die politieke achtergrond had ik meegekregen van mijn vader. In de jaren zeventig ben ik dan ook echt mijn carrière in de politiek begonnen. Ik heb me jarenlang niet eens de vraag gesteld of het normaal was dat ik werkte en carrière probeerde te maken, tot ik in die politieke wereld terechtkwam. Daar waren bijna geen vrouwen, en de vrouwen met wie mijn collega’s op dat moment in contact kwamen, waren meestal alleen hun eigen echtgenotes. En zij waren huisvrouwen. Het duurde dan ook lang voor ik het gevoel had aanvaard te worden als vrouw in de politiek. Vanaf dat moment ben ik beginnen strijden: ik vocht graag, omdat ik hield van de overwinning die volgde.

De generatie voor de mijne, met vrouwen zoals Paula D’Hondt en Rika De Backer had het nog moeilijker gehad. Maar de vrouwen in de politiek van mijn generatie en partij, met hoe weinig we ook waren, hadden veel aan de vrouwenafdeling die ik had opgericht binnen de CVP, Vrouw en Maatschappij. Het was ongelooflijk moeilijk om Vrouw en Maatschappij binnen te krijgen bij het partijbestuur, maar de organisatie kon dienen als platform en dat bleek zeer nuttig te zijn.

Het moeilijke toen aan politiek bedrijven als vrouw was het feit dat je je moest verkleinen voor mannelijke collega’s. Hun tenen waren zo lang en voor hen was een vrouw hun ondergeschikte. Dat was het ergste. Het gaat me niet om de strijd die we moesten aanknopen om bepaalde wetten erdoor te krijgen, want we hebben zo goed als alles gewonnen, op de strijd voor abortus binnen mijn partij na dan. Het is met de jaren eenvoudiger geworden, en nu ik niet langer om de macht vecht, krijg ik daar zelf minder mee te maken. Maar ik zie dat jongere vrouwen toch nog steeds met hetzelfde probleem te kampen krijgen. Ik geef hen graag raad en advies als ze me erom vragen. Ik weet hoe het voelt.

Mijn vrouw-zijn speelde wel een belangrijke rol in mijn politieke carrière. Meisjes worden opgevoed tot meer voorzichtigheid dan jongens en dat heb ik meegenomen in mijn politieke werk. Het verklaarde mijn gevoeligheid voor het thema geweld op vrouwen. Van daaruit heb ik onder andere de wet op de verkrachting gemaakt, de Koninklijke besluiten rond ongewenste seksuele intimiteiten op het werk, de vele campagnes rond geweld op vrouwen enzovoort. Het behandelen van vrouwenproblemen vergt een enorme kennis van de meest uiteenlopende domeinen: arbeidswetgeving, sociale zekerheid, fiscaliteit, juridisch beleid, gezinsbeleid... Je moet werkelijk alles kennen omdat de positie van vrouwen en mannen in elk van die domeinen ingekapseld zit. In die zin vergt het dus een groot inzicht en veel werkkracht om de vrouwelijke problemen op te lossen. Dat geldt trouwens niet alleen voor België. Vrouwenproblemen zijn universele problemen. Op de wereldconferenties voor de vrouwen, georganiseerd door de Verenigde Naties, was de wederzijdse herkenning tussen vrouwen van alle landen zeer groot.

Ik heb ook nooit alleen vrouwenemancipatie voor mijn rekening willen nemen. Ik vond het belangrijk om andere thema’s zoals arbeid en leefmilieu te behandelen. Ik moest al zo opboksen tegen de mannen dat het goed was om ook verantwoordelijk te zijn over materie waarover zij aan mij vragen kwamen stellen.

Plaats voor anderen

Ik heb altijd heel hard gewerkt, zeker in de periode waarin ik Staatssecretaris en Minister was. Ik vertrok ’s morgens om halfacht en kwam ’s avonds vaak pas om elf uur thuis. Maar ik heb mezelf dat nooit beklaagd. Nu is het rustiger, hoewel ik op bepaalde momenten nog steeds erg lange dagen heb. Vroeger ging dat allemaal gemakkelijk, maar ik begin toch te voelen dat ik ouder word en dat het moeilijker gaat. Het is niet meer zo evident. Ik ben ook niet van plan om nog op te komen voor de verkiezingen in 2009.

Op het moment zit ik niet stil, helemaal niet. Ik ben Vlaams Volksvertegenwoordiger en Senator. En ik doe het nog altijd graag, maar ik heb soms last van een déjà vu-gevoel. De onderwerpen die aan bod komen heb ik allemaal al eens zien passeren. Toch heb ik nog nieuwe uitdagingen. Ik ga in de Raad van Europa zetelen voor de Commissie Vrouwen en de Commissie Migranten. En een zaak waaraan ik nog wil werken, die ik nog wil realiseren is strijden voor de vrouwen in Kivu. Het is echt verschrikkelijk wat daar allemaal is gebeurd en het gaat over Congo, dus ik vind dat we daar iets aan horen te doen als Belgen. Ik blijf me in het algemeen inzetten voor Afrika. Ik ben dan ook vice-voorzitter van AWEPA, de vereniging van Europese parlementairen voor Afrika.

Verder vind ik het belangrijk om me af te sluiten voor de media, om niet meer de hele tijd in beeld te komen en gehoord te worden over emancipatie. Ik wil geen icoon voor de vrouwenemancipatie blijven: dat onderwerp mag niet voor altijd aan mij gelinkt worden. Er moet verder aan worden gewerkt door nieuwe mensen. Het is belangrijk dat er jonge mensen zijn die zich inzetten en opkomen voor vrouwenemancipatie.

Huishouden organiseren vanuit het parlement

Ik ben altijd zo opgeslorpt geweest door mijn werk dat een huwelijk en kinderen er nooit van zijn gekomen. Dat veel en hard werken heb ik van thuis meegekregen, dat hadden mijn ouders ook. Het grappige is dat ik de oudste van ons gezin ben, maar dat ik waarschijnlijk pas op pensioen zal gaan na veel van mijn jongere familieleden.

De vraag of ik mijn werk zou hebben kunnen combineren met kinderen vind ik zo spijtig. Waarom moet die toch altijd worden gesteld aan vrouwen, en krijgt bijna geen enkele man ze voorgeschoteld? Dat vind ik heel typerend. Maar ja, ik denk dat ze combineerbaar waren geweest. Zeker nu, in deze periode, nu er zoveel voorzieningen en maatregelen zijn om het allemaal gemakkelijker te maken om je baan met je familie te combineren.

Mijn werk slorpte me op, maar ik heb wel altijd tijd gemaakt voor mezelf, tijd om er even tussen uit te gaan. In augustus ligt de politieke wereld toch stil, dus dan was het altijd wel mogelijk om drie weken tot een maand vrij te nemen. Dan ging ik kamperen, op reis, naar het buitenland. Rond de kerstdagen ging ik vaak skiën. Maar de rest van de tijd werkte ik wel altijd, ook in de weekends en ’s avonds. Sinds enkele jaren trek ik om de zes weken voor een lang weekend naar het zuiden van Frankrijk. Ik heb altijd wel tijd voor mezelf gemaakt dus.

Het is larie wanneer mensen vinden dat de politiek zich moet aanpassen aan de agenda van de vrouwen. Dat slaat werkelijk nergens op. Je kunt toch niet anders dan je politieke leven aanpassen aan de mensen. En dat betekent dat je moet werken op de momenten waarop de mensen thuis zijn en niet moeten gaan werken. Dat zijn de weekends en de avonden. Je hoort als politicus nu eenmaal naar vergaderingen, bijeenkomsten en plechtigheden te gaan. Dat hoort er gewoon bij! Zo’n drukke agenda vraagt dus om een goede organisatie. Ik merk dan ook dat het huishouden hier geregeld en georganiseerd wordt per telefoon vanuit het kantoor.

Lees verder...

over deze site | site map | contacteer ons | ©2006-2008 RoSa documentatiecentrum