Persoonlijk:
Geboren op 8 maart 1945, in Dessau (Duitsland)
Getrouwd in 1969
Dochter geboren in 1971 en zoon geboren in 1973
Opleiding:
Richting Latijn-Grieks Koninklijk Lyceum Antwerpen (tot 1963) Licentiate Romaanse Filologie Rijksuniversiteit Gent (1967)
Aggregaat H.S.O. (1967)
Eerste baan:
Rijksnormaalschool Laken (1967)
Loopbaan:
Stedelijke Normaalschool Antwerpen (1969), nu Hogeschool Antwerpen.
Lid van Groep Rooie Vrouwen (1976)
Medeoprichtster van de onafhankelijke feministisch- socialistische vrouwenbeweging (1977)
Medeoprichtster van het feministisch tijdschrift 'Schoppenvrouw' (1978)
Hoofdredactrice van het feministisch tijdschrift 'Schoppenvrouw' (tot stopzetten tijdschrift 1999)
Lid van de Gewestelijke Intersectoriële Vrouwencommissie van ACOD Antwerpen (tot 2000)
Nu:
Voorzitster Vrouwen Overleg Komitee (2003-heden)
Ik was altijd druk bezig met mijn job, ook buiten mijn uren. Want lesgeven is een serieuze taak en wil je dat goed doen, besteed je veel uren aan lesvoorbereiding. Ik heb altijd een sterke belangstelling gehad voor taal en literatuur en het onderwijs was een voor de hand liggende carrièrekeuze voor vrouwen. Het grootste deel van mijn loopbaan heb Ik heb lesgegeven in de lerarenopleiding. Het heeft mij altijd geboeid om onderwijzers en regenten te vormen.
Op mijn vijfenvijftigste ben ik met vervroegd pensioen gegaan. Door de talloze hervormingen was ik uitgekeken op het onderwijs. Die maakten dat ik mijn job niet meer kon doen zoals ik wilde. Zoals ik dat altijd met volle overtuiging heb gedaan. De visie op onderwijs is in de loop van de jaren negentig totaal veranderd en ik vond het niet meer prettig. Er was geen tijd meer voor een intensief contact met de studenten, de persoonlijke aanpak werd naar de achtergrond geschoven en het belang van degelijke stagebegeleiding werd onderschat. We kregen ook steeds meer taken die niet tot onze onmiddellijke vakbekwaamheid behoorden. Er kwam bijvoorbeeld plots veel administratief werk bovenop het lesgeven. Dat was erg stresserend.
Ik heb het nooit moeilijk gehad om te stoppen met mijn job. Integendeel, ik was opgelucht dat ik tijd had voor andere dingen. Na 32 jaar in het onderwijs ben ik niet in een zwart gat gevallen na mijn pensioen. Ik hield het liever voor bekeken. Het ging niet meer zoals ik het wilde en dan stak ik mijn energie met meer plezier in de vrouwenbeweging, waar ik al sinds 1975 actief was.
Twintig jaar ben ik hoofdredacteur van het feministische tijdschrift Schoppenvrouw geweest. Dat tijdschrift was het blad van de fem-soc beweging, opgericht in 1977 door een aantal linkse vrouwengroepen, zoals de Groep Rode Vrouwen uit Antwerpen waar ik lid van was geworden in 1976. We ijverden voor een socialisme los van de partij, wars van de verzuiling. Onze slogan was ‘Geen feminisme zonder socialisme, geen socialisme zonder feminisme’. In 1999 werd Schoppenvrouw opgedoekt om financiële redenen.
Sinds het einde van de jaren zeventig was ik lid van het VOK, het Vrouwen Overleg Komitee, dat jaarlijks de vrouwendag organiseert. Het VOK bracht feministen samen die over de partijgrenzen heen wilden nadenken, discussiëren, actie voeren voor vrouwenemancipatie, meer rechten voor vrouwen, gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Oorspronkelijk is het VOK in 1972 ontstaan uit de onvrede van vrouwen over het geringe belang van hun rechten op de algemene politieke agenda. Men vond dat de traditionele vrouwenorganisaties niet radicaal genoeg waren.
Ik was blij dat ik meer tijd kon maken voor mijn activiteiten bij de vrouwenbeweging. Want de thema’s waar we voor strijden liggen me nauw aan het hart. Het werd tijdens mijn loopbaan eigenlijk al mijn tweede job. Sinds mijn vervroegd pensioen vult dat engagement grotendeels mijn dagen. De functie van voorzitter bij het VOK kwam vrij en iemand moest het doen. Omdat ik met pensioen was en over tijd én ervaring beschikte, stelde ik me kandidaat. Dat leek me een logische keuze.
Maar nu wil ik het rustiger aan doen. Ik wil meer tijd maken voor mijn partner, mijn kleinkinderen en mezelf. Ik heb jaren mijn best gedaan, nu ga ik wat selectiever zijn in mijn activiteiten. Ik ben vier jaar voorzitster en ondertussen ben ik de oudste voorzitter die het VOK ooit heeft gehad. We hebben vrouwen van alle leeftijden in onze rangen, van twintig tot vijfenzeventig jaar. Dus er zijn zeker genoeg jonge, clevere vrouwen aan wie ik met gerust hart de fakkel doorgeef. Ik ben binnenkort 63, het is tijd om plaats te maken voor de nieuwe generatie. Ik heb er alle vertrouwen in dat zij ons werk uitstekend zullen verderzetten. Een sturende functie hoeft voor mij niet meer, wel wil ik blijven werken aan de inhoud, een rol spelen in de coulissen en mijn expertise ter beschikking stellen waar welkom. Als voorzitter moet je je ook bezighouden met het dagelijks bestuur, de administratieve rompslomp. Dat zal ik niet missen. Ik wil op de achtergrond bezig blijven met zaken die ik zelf belangrijk vind. Met lezen en schrijven, met vrouwenstudies. Met mijn engagement in comité Boeh!, een acroniem dat staat voor Baas over eigen hoofd. Boeh! werd opgericht als reactie tegen het hoofddoekenverbod in openbare functies in Antwerpen. Zo’n verbod is discriminerend voor moslimvrouwen want het beperkt hun opleiding- en tewerkstellingskansen en dat is verre van emanciperend. Ik heb in het VOK altijd erg aan de kar getrokken om allochtone vrouwen bij onze werking te betrekken en om het thema multiculturaliteit en feminisme op de agenda te zetten.
Ik heb mijn ontslag al aangekondigd. Volgend jaar wil ik geen voorzitster meer zijn. Dat zal zeker in het begin vreemd zijn, uiteindelijk laat je zoiets nooit in één-twee-drie los. Ik zal sowieso nauw betrokken blijven , maar niet meer fulltime. Ik wil meer vrije tijd om andere dingen te doen. Mijn activiteiten bij de vrouwenbeweging hebben altijd een grote tijdsinvestering gevraagd en ik moest er andere zaken voor opgeven. Als je veel avondvergaderingen hebt is er weinig tijd voor een concert, een toneelstuk, een film.
Mijn interesse in academische vrouwenstudies blijft heel groot. Ik heb altijd vanuit de praktijk gewerkt maar met een grote interesse voor de theoretische achtergrond. Ik behaalde mijn diploma Vrouwenstudies toen de richting nog maar net opgericht was en dat heeft mij heel erg verrijkt. Ik heb veel gehad aan het literatuuronderzoek dat ik gedaan heb voor Vrouwenstudies in samenwerking met Nadine Plateau van de Université des Femmes, over kansengelijkheid in het onderwijs en over meisjes en exacte wetenschappen.
We zijn er nog niet. Ik ben altijd een actieve militante geweest maar ik begrijp ook wel dat die processen van verandering tijd vragen. We moeten aan de kar blijven trekken. Vanaf de jaren tachtig is er een backlash aan de gang, een terugkeer naar politiek en maatschappelijk conservativisme. Alles waar we in de jaren zeventig voor op straat zijn gekomen, wordt opnieuw in vraag gesteld. Onze verworvenheden worden teruggeschroefd. Ik kan dat illustreren met een voorbeeld uit het onderwijs, omdat dat mijn vakgebied is. Wij hebben geijverd voor een democratisch onderwijs, voor progressieve systemen zoals onder andere permanente evaluatie en afschaffen van examens, intense individuele begeleiding. Zoiets kan je niet realiseren met honderd studenten tegelijk. Wij kozen duidelijk voor een meer persoonlijke begeleiding en een sterke omkadering. We wilden onze studenten à la carte geven wat ze nodig hebben. Maar dat vond de overheid al vlug te veel kosten, en de veranderingen in het politieke klimaat zorgden voor rationalisering en het terugschroeven van het pedagogisch comfort.
Dezelfde backlash zie ik in de vrouwenemancipatie en het feminisme. In ons neoliberaal klimaat overheerst vandaag het neoconservatieve denken. Er zijn weinig middelen meer voor emancipatie en er is vooral weinig wil of bereidheid om iets aan de ongelijkheid in de samenleving te doen. Het is treurig om te constateren dat de zaken zo verlopen. Men heeft te snel gezegd dat de vrouwenthematiek niet prioritair meer is. Kijk alleen al naar de politieke benadering. Van een discours over emancipatie zijn we geëvolueerd naar gelijke kansen en nu gaat het over diversiteit. Het is goed dat men oog heeft voor de integratie van allochtonen, maar waarom moet dat ten koste gaan van de aandacht voor vrouwen? De genderdimensie verdwijnt, het discours over vrouwen lijkt nauwelijks nog aan bod te komen.
Ook in de lokale politiek is de aandacht voor de rechten van vrouwen fel verminderd. Dezelfde evolutie speelt zich af op alle niveaus, van het academische tot het syndicale. Met het verdwijnen van vrouwenstudies, neemt ook de academische stimulans af om de vrouwenthematiek met onderzoek te onderbouwen en de resultaten op de agenda te blijven plaatsen. Waar moeten we ons dan op beroepen?
De publieke opinie is gewijzigd. Men zegt al gauw ‘zaag daar niet meer zo over’ want ‘het is toch in orde voor de vrouwen’. Natuurlijk mogen we niet vergeten wat we allemaal hebben gerealiseerd. De abortuswetgeving, de politieke quota, de vooruitgang op gebied van tewerkstelling en participatie aan de maatschappij, het huwelijksgoederenrecht. Toen ik huwde in 1969 mocht een vrouw geen eigen bankrekening hebben zonder de toestemming van haar man. Een zelfstandige vrouw verloor een deel van haar rechten zodra ze trouwde. We hebben geweld tegen vrouwen aangeklaagd en verkrachting uit de taboesfeer gehaald. We hebben vluchthuizen opgericht en preventie van geweld gestimuleerd. Vandaag zijn er voor het eerst meer vrouwen dan mannen aan de universiteit. Toen ik ging studeren waren er maar ongeveer twintig procent vrouwelijke studenten. Meisjes halen betere punten en studeren in grotere getale af maar toch trekt dat zich niet door naar de arbeidsmarkt. Helaas is er weinig bereidheid vanuit het beleid om hier aan te werken. Toch ben ik hoopvol dat men het belang van de feministische strijd opnieuw zal inzien.
Terwijl wij in de jaren zeventig ijverden voor de erkenning van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, beklemtoont men vandaag de vrouwelijkheid en de vrouwelijke waarden. Hierdoor worden de rolpatronen bevestigd: vanuit hun zorgende aard zouden vrouwen de verantwoordelijkheid moeten nemen voor de kinderen en de ouderen. De maatschappelijke noden worden afgewenteld op vrouwen, die deze zorg als gratis arbeid moeten verrichten.