Persoonlijk:
Geboren op 26 november 1942 in Antwerpen
Ongehuwd. Dochter Maya Detiège geboren in 1967
Opleiding:
Lager onderwijs Stadsonderwijs Luchtbal Antwerpen (1947-1954)
Algemeen Secundair Onderwijs Koninklijk Atheneum Kapellen (1954 - 1960)
Licentiaat in de handels- en financiële wetenschappen aan de rijkshandelshogeschool van Antwerpen (1964)
Aggregaat in de handels- en financiële wetenschappen aan de rijkshandelshogeschool van Antwerpen (1964)
Eerste baan:
Studiedienst van het Ministerie van Economische Zaken (1964)
Loopbaan:
Kabinet van de minister van Economische Zaken (1970)
Schepen van cultuur in Antwerpen (1977 - 1982)
Volksvertegenwoordiger (1977-1992)
Staatssecretaris voor Pensioenen (1988-1992)
Senator (1991 - 1995)
Vlaamse minister Tewerkstelling en Sociale Aangelegenheden (1992-1995)
Burgemeester van Antwerpen (1995-2003)
Nu:
Vlaams voorzitter seniorenbeweging van Socialistische Mutualiteit S-Plus
Voorzitter van het Ballet van Vlaanderen
Voorzitter van ActUA vzw binnen Universiteit Antwerpen
Internationaal voorzitter Ciriec
Mijn familie heeft mij altijd gestimuleerd om te studeren. Mijn vader had zelf als enige in zijn gezin mogen studeren. Zijn vader is begonnen als telegramdrager en opgeklommen tot stationschef. Het is me met de paplepel meegegeven hoe belangrijk het is om een baan te hebben en om je eigen kost te verdienen. Dat vind ik één van de allerbelangrijkste aspecten aan een eigen baan: dat je zelfstandig bent. I k heb die goede raad ter harte genomen en ben gaan studeren, mijn zus is getrouwd toen ze achttien was. Hetzelfde geldt voor mijn sociaal engagement: ik ben er mee opgegroeid. Mijn vader bestreed armoede en ongelijkheid van uit zijn positie als schepen van sociale zaken en later burgemeester. Mijn moeder was actief in de vrouwenbeweging, en heeft me van jongsaf het belang van gelijkheid tussen mannen en vrouwen meegegeven.
Eigenlijk wilde ik apotheker worden. Toch koos ik voor dezelfde studies als mijn vader: handels-en financiële wetenschappen. Ik was toen de enige vrouwelijke student in de financiële afdeling van mijn jaar. Nochtans gaf die richting voor een vrouw de beste mogelijkheden om door te stromen naar de privésector, de overheid of het onderwijs. Op dat ogenblik bestond er een groot verschil tussen de verloning in de privésector en de overheid. Dus koos ik voor de overheid, ik wilde niet minder verdienen dan mannen. In de privé waren de hogere functies onbereikbaar voor vrouwen en in de verzekeringsector werden vrouwen ook nog eens veel slechter betaald. Van mijn vader mocht ik niet laten zien dat ik kon typen. Of ze zouden een secretaresse van me maken.
Ik was pas 21 toen ik afstudeerde. Als alleenstaande was het vanzelfsprekend dat ik zou gaan werken. De economische conjunctuur was goed, ik vond snel een job. Mijn mannelijke collega’s moesten hun legerdienst nog vervullen. Ik kon meteen aan de slag op de studiedienst van het ministerie van economische zaken. Enkele maanden later deed ik mee aan het examen en was ik vastbenoemd. Ik werd bestuurssecretaris en later adjunct-adviseur. Dat was voor vrouwen toen nog niet zo evident. Er ging nog een stuk van mijn wedde af omdat verloning in de universitaire categorie pas op vijfentwintig begon. Net op mijn vijfentwintigste veranderde die regel, ik zal het nooit vergeten.
In datzelfde jaar werd mijn dochter geboren. Ik had het geluk dat ik kon rekenen op de hulp van mijn moeder en zus. Mijn jongere zus had ondertussen al twee kinderen maar was gescheiden en woonde terug in onze buurt. Samen slaagden we erin om alles praktisch voor elkaar te krijgen. Ik bracht mijn dochter ’s ochtends naar de kinderkribbe en mijn zus ging haar en mijn neven ’s avonds weer ophalen. Dat was niet altijd eenvoudig, maar in familieverband kregen we het voor elkaar.
Het was nooit mijn bedoeling om in de politiek te gaan. Ik ben er eigenlijk meer ingerold. Na mijn studies werd ik geregeld gevraagd om te spreken, zowel in de vrouwenbeweging als bij het Instituut Emile Van de Velde. Die voordrachten vonden ’s avonds plaats en gingen bijvoorbeeld over de index, vrouwenarbeid of het socialisme. Tijdens mijn studies was ik wel actief bij de socialistische studenten, maar geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht om politica te worden.
Mijn vader was politicus en hij was zelden thuis. Dat wilde ik niet, ik wilde een rustig leven. Maar het is anders uitgedraaid en ik ben inderdaad weinig thuis geweest. Voor een politicus komt het privé-leven op de tweede plaats. Dat is een logisch gevolg. Ik had heel weinig tijd voor mezelf, ging van vergadering naar vergadering. Maar ik probeerde altijd bij mijn familie te zijn op de belangrijke dagen: met kerstmis of verjaardagen. Dat deed mijn vader ook. Meer dan eens heb ik me afgevraagd: is het allemaal wel nuttig? Heb ik mijn dochter geen nadeel berokkend door zo vaak van huis te zijn? Wanneer we nachtzittingen hadden, vroeg ik mijn moeder om met Maya naar Brussel te komen zodat we toch samen konden eten. Of ik nam mijn dochter mee naar lezingen zodat we vaker bij elkaar konden zijn. Als een vrouw minister wordt, vraagt men altijd hoe ze dat combineert met haar gezin. Aan een man vraagt men dat nooit.
Aangezien ze nu zelf in de politiek is gegaan, denk ik niet dat mijn dochter er erg heeft onder geleden (lacht). Maya is begonnen rond de tijd dat ik gestopt ben. Ik heb haar altijd gezegd dat ze moest doen wat ze graag wilde doen. Al zwoer ze op haar achttiende om nooit in de politiek te stappen. Net als ik trouwens. Het is niet aan mij om haar te behoeden voor de harde wereld van de politiek. Ze maakt haar keuzes zelf. Ik vind het wel fijn om haar bezig te zien. Ik herken mezelf soms wanneer ik haar hoor van leer trekken tegen het onrecht. Soms geef ik haar raad als ze daarom vraagt. En dan doet ze nog haar zin. Ze heeft een heel ander karakter en luisteren is niet haar beste kant. Wat ik ook zeg, ze doet toch wat ze in haar hoofd heeft.
Toen ik in 1988 staatssecretaris van pensioenen werd, was de hele discussie rond de berekening van pensioenen van vrouwen aan de gang. Vrouwen hebben vaker onvolledige carrières, gaan vaker deeltijds werken en hebben geregeld een onderbroken loopbaan omdat ze thuisblijven om voor kinderen te zorgen. De carrières van vrouwen werden berekend op 40 jaar en die van mannen op 45 jaar. Terwijl het zelfs voor mannen onmogelijk was om zo’n lange carrière uit te bouwen omdat men langer naar school ging. Ik pleitte ervoor om tenminste dat verschil te houden zolang er discriminatie bestond op lonen en vrouwen vaker deeltijds werken. Maar nadien heeft men die leeftijd toch gelijkgeschakeld en dat maakt dat vrouwen die hun hele leven gewerkt hebben weer minder pensioen trekken. De pensioenleeftijd voor vrouwen steeg tot 65 maar bijna niemand haalt de 45 beroepsjaren waar het pensioen op berekend wordt. Vooral de pensioenen van alleenstaande vrouwen zijn veel te laag. Want pensioen wordt zowel berekend op het loon én op het aantal jaren dienst. Zolang er verschillen zijn in wat mannen en vrouwen verdienen, zal het pensioen van vrouwen altijd te laag zijn. De situatie is dus duidelijk nog verslechterd.
De Europese Unie voorziet uitzonderingen op de verhoging van de pensioenleeftijd voor moeilijke beroepen zoals treinchauffeur. Maar een job als kleuterleidster wordt niet erkend. Doe het maar eens, op je zestigste op je knieën achter een stel kleuters jagen. Ik doe het nu wel als oma, maar ik heb gelukkig geen twintig kleinkinderen. Het feit dat kleuterleidster niet erkend wordt als zwaar beroep is een kwestie van syndicalisatie. Kleuterleidsters en bij uitbreiding de meeste vrouwenberoepen zijn minder sterk gesynidicaliseerd en kunnen minder eisen doordrukken.
Vrouwen gaan deeltijds werken om tijd te hebben voor het gezin. Meestal blijft degene werken die het meest verdient en dat is vaak de man. Maar wat als men er plots alleen komt voor te staan? De man die is blijven werken zal geen euro van zijn pensioen minder krijgen. Ik ben geen voorstander van deeltijds werk en geef de raad om het zo weinig mogelijk te doen. Maar als je vijfentwintig bent denk je weinig aan wat er later zal gebeuren. En zie je niet onder ogen dat relaties niet altijd eeuwig zijn.
Maar liefst 85 procent van de deeltijdse arbeid wordt door vrouwen gedaan en 42 procent vrouwen werkt deeltijds. Natuurlijk zorgt dat ervoor dat men een beter evenwicht vindt tussen arbeid en gezin, maar het is niet zonder gevolgen. Niet iedereen kiest overigens voor die manier van werken, een percentage vindt gewoon geen voltijdse job. Kijk naar laaggeschoolde vrouwen in Amerika en hoe zij jobs moeten combineren. De flexibiliteit heeft zijn voor- en nadelen. Vooral alleenstaande vrouwen worden er het slachtoffer van. Gelukkig is er loopbaanonderbreking, dat telt wel mee als beroepservaring. Het laat toe om een korte periode uit te stappen, zowel voor mannen als vrouwen. De enige vraag die men moet stellen is of men de periode financieel kan overbruggen.
Er is veel verbeterd maar we zijn er nog niet. Ik had gisteren een gesprek met een alleenstaande jonge vrouw. Zij vertelde dat ze geen borstvoedingsverlof kon nemen, omdat ze anders geen inkomen had. Zulke dingen zouden moeten ondervangen worden. De verdeling van de huisarbeid tussen man en vrouw is ook niet wat het moet zijn. De nieuwe mannen brengen de kinderen wel naar de kribben, maar in bepaalde milieus is zelfs dat nog veraf. Opvang kost handenvol geld en er is ook veel te weinig plaats in die kribben. Vrouwen moeten hun kinderen inschrijven wanneer ze twee dagen zwanger zijn. Als ze de rekensom maken, komen sommige vrouwen tot de conclusie dat ze maar beter thuis blijven. Met alle gevolgen vandien.
Vrouwen bereiken hetzelfde opleidingsniveau en we zien dat ze meer kansen krijgen, bijvoorbeeld in de politiek. Maar de lonen zijn nog niet gelijkwaardig. Europa kan een belangrijke rol spelen zolang de directieven effectief worden uitgevoerd. Ik stel me vragen bij de impact van de nieuwe landen op dit debat. Pakweg in Polen zijn de sociale maatregelen veel slechter dan bij ons. We moeten waakzaam toezien dat onze maatregelen niet worden teruggeschroefd.
Al te vaak zijn beroepen gendergerelateerd en weerspiegelen ze de verhoudingen in de maatschappij niet. Ik denk bijvoorbeeld aan kinderverzorgers of aan het feit dat je in de haven van Antwerpen enkel mannen tegenkomt. Zulke quota als in de politiek zouden er overal moeten zijn. Je kan dat moeilijk realiseren via een beleidsmaatregel, dus denk ik dat hier vooral een belangrijke rol is weggelegd voor het onderwijs. Bij politie of brandweer vind je nog steeds geen evenwichtige verdeling. Als burgemeester van Antwerpen stelde ik het examen voor brandweer open voor vrouwen, en dan spreken we toch al van de jaren negentig. Toch stak men er een stokje voor door de fysieke proef zo zwaar te maken dat bijna geen vrouwen kans maakten om te slagen. Nochtans heeft de maatschappij er alle belang bij dat vrouwen gaan werken zodat er geen tekorten op de arbeidsmarkt ontstaan.
Toen ik in het federaal Parlement zetelde, was de discussie rond zwangerschapsonderbreking aan de gang. Het leek wel een exclusief mannendebat. Ze praatten alsof vrouwen abortus kozen om op reis te kunnen gaan of om zichzelf geen luxe te ontzeggen. Als het debat over natuurlijke kinderen ging, begonnen ze over erfkwesties. Zaken waar je als vrouw absoluut niet aan dacht. Je zag duidelijk dat de meeste politici niet veel tijd bij hun eigen vrouw doorbrachten. Soms vroeg ik me af of ze wel wisten wat een vrouw was.