RoSa-documentatiecentrum
Beeldvorming van Arbeid

Terug naar de galerij

Persoonlijk:
Geboren in Ekeren op 29 mei 1941
Single sinds 1996

Opleiding:
Stedelijke Normaalschool Antwerpen (1955-1960)
Germaanse Filologie Nederlands-Zweeds aan de RUGent, gecombineerd met studie Scandinavische Talen & Literatuur aan de Universiteit van Uppsala (Zweden) (1970-1976)
Modules Vrouwenstudies (1992-1993)

Eerste baan:
Onderwijzeres lagere school (1960-1971)

Loopbaan:
Assistent Scandinavistiek aan RUGent, halftime (1976-1982)
Docent Scandinavische Taal- en Letterkunde aan de RUGroningen, halftime (1980-1981)
Docent Scandinavische Talen en Culturen aan de Universiteit van Amsterdam (1981-2006), parttime tot 1998, daarna fulltime
Journalist, gespecialiseerd in Scandinavische onderwerpen, Nederlandstalige literatuur van vrouwen en vrouwenstudies, op freelance basis voor Radio 3, De Standaard, De Morgen en Nederlandse en Vlaamse literaire en culturele tijdschriften (vanaf 1976)
Vertaler Scandinavische poëzie als zelfstandige in bijberoep: o.a. De enige diamant die ik heb. Poëzie van Zweedstalige dichteressen. 1978-2003 (Uitgeverij P, 2003)
Auteur van diverse wetenschappelijke artikelen over Scandinavische literatuur, vooral poëzie, in vaktijdschriften
Stichtend lid (1985) van de Anna Bijnsstichting
Redacteur (samen met Brigitte Raskin) van Veel te veel geluk verwacht.Schrijfsters in Vlaanderen 1 en Als een wilde tuin.Schrijfsters in Vlaanderen 2, waarin Vlaamse schrijfsters worden geportretteerd door schrijfsters, journalisten en docenten uit Vlaanderen en Nederland. (Manteau/Meulenhoff, 1996
Zetelend lid van Vlaams Fonds voor de Letteren (2000-2006)

Nu:
met pensioen sinds 2006 en een steeds voller wordende agenda

Lisette Keustermans

“Als workaholic ben je gewoon egoïstisch. Je doet wat je graag doet en houdt weinig rekening met anderen ”

Uit liefde voor Scandinavië

In 1960 behaalde ik het onderwijzersdiploma aan de Stedelijke Normaalschool van Antwerpen. Je kreeg in die tijd in de meeste gevallen meteen een baan aan een van de lagere scholen van de stad. Voor de meisjes betekende dat een interim. Ze werden uitgestuurd om leerkrachten te vervangen die ziek waren, kraamverlof hadden of legerdienst deden. Of ze werden ingezet als hulp aan schoolhoofd. Dat betekende dat ze les gaven in de klas van de directeur die op die manier vrij was om zijn administratieve functie te vervullen. Interims en hulp aan schoolhoofd waren nadelig voor je loopbaan en je latere pensioen. Maar dat wist je nauwelijks. Oudere collega’s vertelden het je. Een jaar interim leverde tien maanden pensioen op, hulp als schoolhoofd gaf helemaal geen pensioen. Onrechtvaardig en discriminerend, vind ik nu. Maar je stond er niet bij stil. Wat kan het een twintigjarige schelen dat ze later minder pensioen heeft? Je was gewoon blij dat je een baan had. Het feministisch bewustzijn was nog niet echt ontwikkeld. Meisjes kregen interims en jongens werden naar ‘een open plaats’ gestuurd, waarin ze later vast benoemd konden worden. Aan protesteren dacht je niet. Na een jaar of vijf kreeg je een vaste aanstelling met hetzelfde salaris als je mannelijke collega’s. Pas als je met pensioen ging werd je met het oude onrecht geconfronteerd.

Ik gaf heel graag les. Ik heb vijf à zes jaar interims gedaan, en dan kreeg ik een vaste aanstelling. De mooiste herinneringen heb ik aan scholen waar de solidariteit tussen de leerkrachten sterk was. Zoals in de Keistraat, in het Antwerpse Schipperskwartier

En toen werd het 1968. Alles veranderde. Er ontstond een sterke anti-autoritaire stroming die me echt aansprak. Ik probeerde in mijn klas te discipline los te laten. Nu, dat werkte niet. Ik begreep later dat je kinderen als ze klein zijn niet vrij kunt laten. Dat je ze alles moet leren, ook leren om zelfstandig te zijn. Dat je ze moet opleiden om later met vrijheid te kunnen omgaan. Ik heb dan het lager onderwijs verlaten. Ja, misschien mede door de ontgoocheling. Maar toch vooral omdat ik een grote drang naar kennis had en Zweeds wilde gaan studeren. Op een bepaald niveau kende ik de taal al, ik was autodidact en had ook een paar getuigschriften, bijvak Zweeds in Gent, academische vakantiecursus in Uppsala. Maar nu kon je Zweeds als hoofdvak volgen binnen de Germaanse, naast Nederlands, Duits of Engels. Het was hoogconjunctuur en de universiteiten kregen meer geld, ze konden zich veel permitteren. Aan de Universiteit van Gent werd de Scandinavistiek uitgebreid. En ik ben dan naar de afdeling gestapt om te vragen of ik aan de studie Zweeds mocht beginnen. Ik hield van jongsaf van de Zweedse taal en cultuur. Dat kwam door de literatuur die ik las en de films die ik zag en de indrukken die ik daarbij opdeed. Vooral Det Sjunde inseglet (Het zevende zegel) van Ingmar Bergman heeft blijvend indruk gemaakt.

De eerste jaren heb ik mijn studies zelf betaald. Ik bleef gedeeltelijk werken in de lagere school en gaf avondles Zweeds in Antwerpen en Gent. Ik kon ook in Uppsala studeren met een legaat – de beurs Georges Meir – en met een beurs van de Raad van Europa. Ik was heel intensief bezig.

Na mijn studie werkte ik aan de Scandinavische afdelingen van verschillende universiteiten. Eerst was ik zes jaar halftime assistent in Gent. Ik verbleef toen grotendeels in West-Berlijn, bij een vriendin, een leuke genereuze vrouw met typisch spitse Berlijnse humor, met wie ik een kamer had gedeeld in Uppsala. In Berlijn leven ten tijde van de Muur was een bijzondere ervaring. De sfeer was vrij, een beetje anarchistisch, met veel wooncollectieven, helemaal anders dan het Berlijn van nu, het Berlijn van de citytrips en die vreselijk modernistische Potsdammer Platz. De stad lag toen midden in de DDR, er heerste bij velen een latente angst dat het autoritaire regime de grens zou sluiten en West-Berlijn zou annexeren. Je kreeg een beetje het gevoel dat je daar op een vulkaan leefde en dat het juist die spanning was die enorme impulsen gaf. Er was een intensief cultureel leven met film- en theaterfestivals, happenings, het toneel van de cultregisseur Peter Stein, tentoonstellingen, jazzkroegen. In de lange collegevrije periodes zat ik in de universiteitsbibliotheek te werken. Tijdens het academisch jaar reed ik een paar keer per maand over en weer met de nachttrein. Dat vond ik toen geweldig. Beweging! Geen vaste structuren!

Op een gegeven moment werd me gevraagd om een collega te vervangen in Groningen. Ik heb daar een jaar halftime de colleges Zweedse literatuur gegeven. Aansluitend kreeg ik een deeltijdse baan waarvoor ik gesolliciteerd had aan de Universiteit van Amsterdam. Twee jaar lang werkte ik, behalve in Gent, ook aan een Nederlandse universiteit. Dat was vrij zwaar natuurlijk, maar ook spannend. In Amsterdam heb ik dan uiteindelijk een vaste deeltijdse aanstelling gekregen.

In Groningen heb ik de hoogleraar Amy van Marken leren kennen. Een heel inspirerende, empathische vrouw met een grote persoonlijkheid. Ze was een moeder voor de studenten en een fantastische steun voor haar staf. Ze was een rolmodel en moedigde de meisjesstudenten aan om ondernemend te zijn. Ze organiseerde scandinavistenweekends, reizen, filmavonden, ja, zoals je zegt, ze bracht de buitenwereld binnen. Ze liet haar studenten en de staf delen in haar contacten en haar enthousiasme. Mij heeft ze onrechtstreeks geïnspireerd om recensies te schrijven van Scandinavische romans, die door onze oud-studenten waren vertaald.

In Amsterdam werd de vakgroep geleid door een mannelijke hoogleraar. Dat was anders. Dat liep niet zo vlot. Het was keihard. Maar ik hield van het werk, van het onderzoek, de colleges, de contacten, de Scandinavistendagen, de symposia, de congressen. I k ging ook met mijn studenten naar de film en naar toneel, organiseerde schrijversbezoek uit Zweden (met koffie en beboterde krentenbolletjes in de pauze) en gaf mastercolleges poëzievertalen. Ook mijn collega's deden mee. Dat waren echt leuke momenten.

Daarnaast heb ik een twintigtal jaar als freelance journalist gewerkt. Spannend, omdat je de hele tijd zelf initiatieven moet nemen. Redacties opbellen, afspraken maken, op stap gaan met je bandopnemer. Je ontmoet natuurlijk veel bijzondere mensen, soms krijg je heel leuke gesprekken. Ik heb Anna Enquist geïnterviewd, winnaars van de Anna Bijnsprijs, Kristien Hemmerechts, Brigitte Raskin... Ik maakte ook programma ’ s voor Radio 3 over Scandinavische literatuur, schreef stukjes voor kranten en tijdschriften. Ik ging vaak naar Zweden, en interviewde ook daar schrijvers. In 1980 ben ik poëzie beginnen te vertalen. Dat is een intensief proces. Meestal gebeurde het in samenwerking met de dichters. Dat waren mooie, warme contacten. “Mijn” dichters waren dan ook aanwezig op mijn afscheid in Amsterdam, in 2006. Als vertaler van poëzie ben je scheppend bezig. Het is spelen met taal, met ritme en klank. Elk woord is belangrijk. Ik kan heel lang naar een woord lopen zoeken. Soms komt het goede woord ’s nachts, en schrijf ik het snel op. Papier en potlood liggen steeds klaar op mijn nachtkastje, ook van Amy van Marken geleerd.

Toen ik full-time werkte in Amsterdam - de acht jaren voor mijn pensionering – heb ik noch geschreven noch vertaald. Ja, te druk! Ik had zelfs niet de tijd om het te missen! En ja hoor, nu ik gepensioneerd ben, heb ik de draad weer opgenomen.

Lees verder...

over deze site | site map | contacteer ons | ©2006-2008 RoSa documentatiecentrum