Persoonlijk:
Geboren op 16 februari 1944 in Antwerpen
Gehuwd, geen kinderen.
Opleiding:
Lagere school in het Antwerps stadsonderwijs
Koninklijk Atheneum Hoboken, latijn-wiskunde
Licentiaat moraalwetenschap, Rijksuniversiteit Gent (1968)
Doctor in de moraalwetenschap, Rijksuniversiteit Gent (1973)
Eerste baan:
lerares zedenleer, Koninklijk Atheneum Berchem
Loopbaan:
lerares zedenleer 1968-1969
navorser bij het NFWO van 1969 tot 1977
docente HISKWA (Arbeidershogeschool) 1977 tot 1980
docente Katholieke Universiteit Nijmegen 1980 tot 2001
directeur Steunpunt Gelijkekansenbeleid van 2001 tot 2004
professor vrouwenstudies (deeltijds) 1994 tot 2007 aan de Universiteit Antwerpen (aanvankelijk Universitaire Instelling Antwerpen)
Nu:
gepensioneerd en zelfstandig onderzoekster (http://www.moh.be)
Arbeidswaarden
Wat is/was het belang dat je aan 'werken' hecht(te) ?
Ik heb altijd alleen maar gewerkt, dat gevoel heb ik en het is een heel plezierig gevoel. Vooral de laatste jaren heb ik ongeveer nooit vakantie genomen en heel weinig vrije dagen gehad. Met de jaren ging ik steeds meer werken. Maar ook in de jaren zeventig herinner ik me de Pinksterweekends die heel geschikt waren om een tekst af te werken, en de Paasvakantie die ik nu net nodig had om dit en dat af te werken. In de jaren 80 heb ik wel lange zomervakanties (3 weken) genomen, maar dan gingen er stapels filosofische boeken mee naar de kust van Joegoslavië. Dat was wel zalig. Sinds het begin van de oorlog in Joegoslavië zijn we eigenlijk nooit meer voor langere tijd op vakantie geweest.
Een werkweek is altijd minstens 6 dagen geweest, en een werkdag van 12 uur is niet lang. Dat is bijvoorbeeld maar van 9 tot 9. Het is dus meestal meer geweest. Dat ging zo in de examenperiode van mijn studententijd, dat ging zo om mijn doctoraat te maken, en dat is zo gebleven.
Dat is niet echt een kwestie van ‘waarden’. Ik vind niet dat het ‘moet’. Ik doe het gewoon graag. Het is als ademen. Ik besta, dus ik adem, dus ik werk…. Simpel. Er is niets dat ik liever doe, er is niets wat ik gemakkelijker vind. Hoge arbeidswaarden in de zin van “je MOET werken”, of “je MOET veel werken”, of “niet werken is zondig”, dat heb ik nooit gehad. Als ik mijn tijd verspil, of zou verspillen, zou ik mij niet schuldig voelen. Ik ben nogal immuun voor schuldgevoel. Het is er bij mij ook niet ingeprent dat ik iets zou moeten. Het hoefde ook niet. Arbeidsethos met godsdienstige connotaties heb ik helemaal niet. Arbeidsethos in socialistische zin heb ik ook niet meegekregen.
Bovendien ben ik een kind van mijn tijd (jaren 60 en 70), waarin veel jongeren het arbeidsethos van zich af schudden. Ik ben afgestudeerd in 1968 … heel wat jonge mensen uit de studentenbeweging stonden niet te springen om carrière te maken in het bedrijfsleven of in de traditionele politieke partijen. Aangezien ik vrij snel perspectieven had binnen de universiteit heb ik er niet al te zeer hoeven mee worstelen, maar het is voor veel feministes in die periode echt een heet hangijzer geweest. Ooit was het feministisch om geen carrière na te streven. ‘De grote weigering’ (Herbert Marcuse) was wereldwijd iets waarmee alle feministes van toen hebben geworsteld.
Ik zou het nooit bedacht hebben, als vrouw, om niet te werken. Ik heb nooit gesnapt dat je het kan bedenken om afhankelijk te willen zijn van een echtgenoot. Een mens, een individu, en dus ook een vrouw, moet er alles aan doen om voor zichzelf te zorgen. Het lijkt mij logisch. Economische zelfstandigheid … ik zou niet anders durven. Ik vertrouw geen enkele overheid of geen enkele man ver genoeg om niet te werken. Nu moet ik de overheid wel vertrouwen, wat mijn pensioen betreft. Ik vind het onplezierig.
Het belang van creativiteit, van presteren, van dingen beter willen doen dan anderen, de beste zijn, bouwen en uitvinden… het is pas de laatste tijd dat ik dat zo belangrijk vind. Niet sinds gisteren, maar in de jaren zeventig had ik het in alle geval niet. Of zei ik het niet luidop, expliciteerde ik het niet. Ik ben het belangrijk gaan vinden toen ik zag hoezeer het gelijkheidsbeginsel kwaliteit dreigt kapot te maken. En, toen ik begon te zien hoe averechts ons streven naar minder concurrentie, minder competitie, don't hurry, overleg en egaliteit begon te werken, ben ik mijn eigen hypocrisie gaan inzien. Ik betrapte mij erop om zelf te leven als een topsporter die de Olympische Spelen wilde halen, maar dat mijn sporttak was: vertellen dat we allemaal gelijk zijn, zeggen dat het niet hoeft, dat competitie niet hoeft, dat vrouwen verschillend moeten mogen zijn. Er zijn wel meer mensen die de inconsequenties inzien waarmee ze schipperen. Ik heb echter niet mijn levenswijze veranderd, ik heb mijn boodschap veranderd. Ik zeg nu eerlijk dat ik veel belang hecht aan werken, en ook aan presteren, aan achievement, aan motivatie, aan ambitie en aan daarvan genieten. Ik ben er ook van overtuigd dat het maatschappelijk van groot belang is dat zulke houding aan mensen niet wordt afgeleerd.
Vroeger vond ik het wel belangrijk om tegengas te geven tegen de vaak godsdienstig geïnspireerde arbeidsmoraal, tegen de mensen met oogkleppen die alleen maar werken-werken-werken kenden. Nu denk ik dat die mensen uitgestorven zijn en dat de organisatie van de samenleving met zoveel mensen die niet werken absurd is.
Afstand doen
Hoe is het, als vrouw, om niet meer de dingen te doen die je in je eigenlijke beroepsleven deed.
Ja, ik ben geen professor Vrouwenstudies meer. Ik doe nog wel onderzoek, geef nog lezingen en gastcolleges, maar het dagelijkse universitaire werk is opgehouden.
Ik mis er alles van, ook de vervelende dingen.
Hoewel ik, uit onderzoek, natuurlijk wel goed op de hoogte ben van de situatie van gepensioneerden, verbaast het isolement mij toch. Het zal wel anders zijn als je kinderen en kleinkinderen over de vloer hebt, of een actief buurt- en familieleven hebt. Ik heb dat niet, wat vrij logisch is als je alleen maar gewerkt hebt en geen kinderen hebt. Dan is er enkel de rust van het thuis kunnen werken. Ik ben in mijn jonge jaren 8 jaar in het NFWO (nu Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek) geweest. Er was in die tijd niet de luxe (of de verplichting, het is maar zoals je het bekijkt) van een werkplek op de universiteit, ik werkte meestal thuis of op café. Ik heb die periode op werkgebied altijd de gelukkigste van mijn leven genoemd, omdat ik dan niet veel andere bekommernissen had dan onderzoek doen. Ik probeer mijn huidige situatie zo te bekijken. Ik doe de poging om het zo aan te voelen. Dat lukt niet al te best: ik mis teveel. Toen ik in het NFWO was had ik natuurlijk nog nooit verantwoordelijkheid gedragen en nog nooit in een netwerk gezeten.
Plots is er de verbazing dat ik alsnog een huisvrouw zou kunnen worden. Het zal niet gebeuren, maar wat wordt een vrouw verondersteld te doen als ze niet meer ‘werkt’? Ik zal wel blijven schrijven, en lezen, en onderzoeken maar ‘thuis’ is geen uitverkoren plek voor vrouwen die nooit huisvrouw geweest zijn en dat ook niet willen zijn. Ik vind het ook bijzonder raar om een mevrouw geworden te zijn, in plaats van een professor. Het is eerder mijn identiteit die wegvalt dan mijn status.
Ik mis de drukte. Het ti-to en dit-en-dat. De af te werken lijstjes, de vele mails, de hangende zaken, de continuïteit, het ritme. Dat er achter datgene wat je aan het doen bent in je hoofd als het ware een ruimte is waar alles in de wacht zit wat je op heel korte tijd nog moet doen, dat is een bijna fysieke ervaring die ik al heel lang ken. Dat die ruimte leeg aan het geraken is geeft een onwezenlijk gevoel. Ik vind het niet prettig.
Anderzijds besef ik ook ten volle (door terug te vallen op een NFWO-achtige situatie) dat voor veel mensen al het vele werken, de drukte, de vele dingen tegelijk, verhinderen dat er goed nagedacht wordt, zelfs over de dingen waar het in je werk over gaat. Dat was voor mij ook zo. Als ik sommige politici of verantwoordelijke van organisaties zie hollen, dan denk ik: “denk eens na … sta eens stil”. Of collega’s aan de universiteit, van de ene vergadering naar de andere, van het ene boek of artikel naar het andere, steeds maar die publicatiedwang, en van de ene groep studenten naar de andere … tja, het moet allemaal, het is zelfs plezant maar vaak niet fundamenteel.
Ik had in mijn werk heel veel buitenlandse contacten. Het is straf dat dat onmiddellijk wegvalt als je je functie niet meer vervult. Buitenlandse netwerken zijn intens geweest voor mij in Vrouwenstudies.
Ik vond het een heel aangenaam gevoel om deel te zijn van een internationaal geheel, vrouwen met vergelijkbare activiteiten, vergelijkbare doelstellingen. Mensen met hetzelfde soort leven en dezelfde ambities voor zichzelf en de vrouwen om zich heen. Een topologie van de wereld, vooral van Europa, waar ik overal gedachten en stromingen kende. Dat laatste was belangrijker dan de mensen die ik er kende. Het ging om een netwerk, met inspiratie en verbanden voor je eigen werk. Het is geen vriendenkring, het is net-werken. Dat is nu weg en uiteraard verschraalt dat mijn denken en mijn bestaan.
Dat je geen deel meer bent van een internationaal verband staat symbool voor het feit dat een heleboel waarden - waarderingen – betekenissen - in het leven verdwijnen als je niet meer ‘in functie’ bent. Dat is meer dan het werken dat stopt. Dat is trouwens voor mannen niet anders dan voor vrouwen. Maar, als je moet geloven dat vrouwen meer belang hechten aan sociale relaties dan mannen, dan zal un-embedded geraken voor vrouwen ook wel ingrijpender zijn dan voor mannen.
Het is ook raar dat je dingen die je zo belangrijk vindt en vond niet meer kunt beleven. Ik vind ideeënuitwisseling, lezingen, commentaren op lezingen, sporen die verder uitgezet worden naar nieuwe onderzoeken, prikkels krijgen die je nadat je ze omgewerkt hebt weer kunt doorgeven, belangrijk en plezierig. Internationale vergaderingen en conferenties zijn daar vol van, vooral als het vergaderingen zijn van netwerken die een hele tijd bestaan. En dat heb ik moeten loslaten. Er wél naar toe gaan zou trouwens geen zin hebben: ik ben geen transmittor of multiplier meer.
Denken zonder toekomst vind ik moeilijk. Denken zonder locatie vind ik moeilijk. Er is in de feministische theorie altijd veel te doen geweest over 'politics of location'. Je denkt vanuit je positie, je plaats in de wereld, in de maatschappij; je geschiedenis maakt je referentiekader en je referentiekader produceert mee je ideeën, je theorieën, je interpretaties. Ik ben hier helemaal nog niet mee klaar. Ik ben nog niet in staat om mijn nieuwe positie in mijn denken te gebruiken en dat remt mij. Het stimuleert mij anderzijds wel om opnieuw epistemologische thema's aan te pakken en 'situated thinking' kritisch te herbekijken.
Ik denk helemaal niet: “klaar, nu ga ik iets anders doen”. Ik wil blijven onderzoek doen, denken, lezen en publiceren. Er is echter nog een boel werk te doen om mij er goed bij te voelen om dat vanuit mijn nieuwe plek (letterlijk en figuurlijk) te doen.