RoSa-documentatiecentrum Beeldvorming van Arbeid

Wat verstaan we onder 'Arbeid'?


Enkele filosofische visies

H et ontbreekt de westerse filosofie niet aan theoretische reflectie over de (feitelijke en wenselijke plaats) van arbeid in de maatschappij en in het leven van mensen. We brengen enkele belangrijke theorieën in herinnering. Ze zijn algemener en abstracter dan de onderzoeksresultaten van moderne arbeidssociologie of van management-studies, maar ze geven fundamentele aanwijzingen om naar arbeid te kijken.

Max Weber (1864 - 1920)

De Duitse socioloog Max Weber heeft een invloedrijke studie gemaakt over het verband tussen het calvinisme en kapitalisme. Zijn mening was dat het ascetisme, de zelfdiscipline en het arbeidsethos die binnen het protestantisme (en in het bijzonder het calvinisme) heersten, gunstige en ondersteunende factoren waren voor de ontwikkeling van het kapitalisme. Zijn boek hierover, Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905), is wereldberoemd en beroert nog steeds de geesten. Hij gebruikt de calvinistische visie op werk als sleutel om de groei en bloei van het kapitalisme te begrijpen.

Karl Marx(1818 - 1883)

Binnen het marxisme bestaat een dubbele houding tegenover arbeid.

Enerzijds wordt beklemtoond dat arbeid humaniseert: als men deelneemt aan het arbeidsproces kan men zich ontplooien, wordt men minder wereldvreemd, is men betrokken bij belangrijke processen en dat wordt duidelijk aangevoeld door de arbeiders. Als men werk heeft, leidt men een geregeld leven, waardoor ook veel andere activiteiten vlotter gaan; men bouwt kameraadschap en solidariteit op, men maakt iets, men kan iets, men heeft zijn plaats en ervaart die in de klassenstrijd.

Anderzijds worden arbeiders door kapitalisten uitgebuit. Arbeiders hebben enkel hun arbeidskracht om te verkopen, kapitalisten zijn bezitters van de productiemiddelen. Arbeiders zijn bijgevolg afhankelijk van de bezittende klasse, ze moeten hard werken en krijgen daar veel te weinig voor terug.

Paul Fargue (1842-1911)

Deze socialist met weinig dogma’s schrijft in 1880 Le droit à la paresse réfutation du “droit au travail” de 1848. Hij beschouwt het arbeidsethos, de liefde voor het werk die door zoveel mensen wordt tentoongespreid, als een vreemde ziekte. Die liefde voor het werk is erin geslepen, door kapitalisten, omdat het nodig is om die kapitalistische maatschappij in stand te houden. Mensen hebben recht op luiheid. Dat is volgens hem een fundamenteel recht, belangrijker dan het recht op arbeid. Uit de buitensporige drift om te werken spruit onder het kapitalisme het meeste onheil. Rare vogel, deze schoonzoon van Karl Marx. Heel ernstig zijn zijn ideeën niet genomen in de loop van de voorbije honderd jaar.

Hoe deze idealist vooruitgang of zelfs behoud van het bestaande zag, is niet heel duidelijk. Opvallend is wel dat hij, meer dan een eeuw geleden, rechten niet verbond met de verdiensten waarvoor men gewerkt heeft. Zijn slogan ‘recht op luiheid’ is meer dan enkel een provocatie. We kunnen het vandaag beschouwen als een eis, die ingaat tegen de principes waarop onze maatschappij en haar sociale rechten zijn gebaseerd.

Hanna Arendt (1906 - 1975)

In haar theorie over Vita Activa (The Human Condition, 1958) is Arendt niet erg postief over ‘arbeid’. Arbeid is volgens haar niet het meest vrolijke waarmee een mens zich kan bezighouden. Zij stelde vast dat we evolueren naar een een job-maatschappij, waarin iedereen vastgeklonken zit aan zijn plaatsje in het productieproces, voor een loon dat in het levensonderhoud voorziet. Werken om te overleven, binnen bepaalde grenzen, binnen bepaalde uren, met beperkte verantwoordelijkheid. Dat is ‘arbeid’ voor de meeste mensen en er is geen ontsnappen aan. Het is bij Arendt vooral een kwestie van definities: zij maakt een driedeling in de soorten menselijk handelen: (1) werken, om de omgeving fysiek leefbaar te maken (2) arbeiden, om in het levensonderhoud te voorzien (3) handelen, als zelfexpressie, iets maken dat blijft bestaan.

In die drie verschillende vormen van activiteit zit een stijgende graad van creativiteit. Meer en meer worden mensen zodanig in beslag genomen door arbeiden dat ze niet meer toekomen aan handelen, vond Hannah Arendt.

Herbert Marcuse (1898-1979)

Deze filosoof was een inspirator van de rebelse bewegingen van de zestiger jaren van de vorige eeuw. Zijn One Dimensional Man (1964) was een oogopener in verband met de slaafsheid van het dagelijkse leven.

Zonder het helemaal aan Marcuse te willen toeschrijven, zien we dat ‘arbeid’ in de rebelse geest die toen ontstond geen positieve gevoelens opriep. Een zelfgekozen marginaliteit vestigde zich in het levenspatroon van veel jonge mensen. Werken doe je als het absoluut moet, maar verder moet je proberen geen vuile handen te krijgen (letterlijk, maar meer nog figuurlijk) en niet gevangen te geraken in de mentaliteit van ‘métroboulot- dodo’ of ‘huisje-boompje-beestje’.

Ayn Rand (1905-1983)

Rand is Amerikaanse van Russische origine, schrijfter van de bestsellers The Fountainhead en Atlas Shrugged en grondlegster van de filosofische stroming die ‘objectivisme’ wordt genoemd. Zij is een fervent verdedigster van individualisme, van een minimale staat, creativiteit en ondernemingszin.

Door haar verdediging van het kapitalisme en mede door het feit dat haar leerlingen op een sectaire wijze haar gedachtegoed verdedigen en verspreiden, is zij in Europa nooit heel bekend geweest. Zij is nochtans nog steeds een grote inspiratie voor menig libertaire think tank. In haar individualisme steunt (de voortuigang van) de wereld op het creatieve werk van individuen. In de roman Atlas Shrugged (1957) gaan de creatieve geesten die de wereld dragen in staking, uit verzet tegen de wijze waarop ze door de overheid en door klaplopers en slippendragers behandeld worden. Zij die de wereld dragen (zoals Atlas) schokschouderen (shrugg). Het resultaat is rampzalig.

Ze heeft de basisideeën uit haar romans verder uitgewerkt in haar objectivistische filosofie.


Bas Haring (1968)

Bas Haring haalt de gedachten uit de jaren zestig weer naar voren en stopt ze in een nieuw kleedje. Voor hem hoeft iets presteren niet. Integendeel, zijn helden zijn zij die in staat zijn om gelukkig te zijn zonder te scoren, zij die helemaal geen succes nastreven. In Nederland is Haring een mediagenieke professor die succesvolle publicaties verzorgt op het

terrein van de popularisering van wetenschap. Met zijn boek Voor een echt succesvol leven (2007) houdt hij een pleidooi voor een onsuccesvol leven, voor niet willen presteren, voor bezadigd gelukkig zijn. Lafargue en Marcuse lijken terug te zijn, in een modern kleedje.


Anja Meulenbelt (1945)

Vrouwen als Anja Meulenbelt, Ann Oakley en vele anderen hebben zich in de bloeitijd van het de tweede feministische golf sterk gemaakt om aan te tonen wat het economische belang van huishoudelijk werk is.

Het werk van vrouwen in het huishouden is uiteraard van groot economisch belang, en toch wordt het in de meeste budgetten niet doorgerekend.

Huisvrouwen ‘werken’ niet, wordt er dan gezegd. Zij zorgen voor de reproductie van arbeidskracht, zoals het door marxisten werd genoemd. Met het beroepsmatig aan de slag gaan van grotere groepen vrouwen en de roep om huishoudelijk werk te delen met mannen, is de belangstelling voor de bijdrage aan de economie via het huishoudelijke werk een beetje weggezakt. Ten onrechte. Huishoudelijk werk is een belangrijke economische factor.

Naast het respect dat feminisme wil en wou voor huishoudelijk werk, is er de nadruk die in de tweede feministische golf is gelegd op het belang van arbeid buiten de deur, voor de economische zelfstandigheid van vrouwen.

over deze site | site map | contacteer ons | ©2006-2008 RoSa documentatiecentrum